3. En ditzelfde, wat ik tot bestraffing en kastijding moest doen, heb ik u in de vorige brief, omstreeks pasen van dit jaar aan Stefanas, Fortunatus en Achaïcus medegegeven, geschreven, (vgl. vooral
1 Corinthiërs 1:10 tot
1 Corinthiërs 6:20), opdat ik, daar komende, zoals ik dan ook na verandering van mijn reisplan nog steeds tot u denk te komen (
1 Corinthiërs 16:5 v.), geen droefheid zou hebben. En die smart zou ik toch in zo vele bestaande verkeerdheden en gebreken moeten hebben en wel juist van hen, waardoor ik verblijd moest worden. Nu heeft u een geruime tijd tussen het heden en mijn aankomst, die u kunt gebruiken, om al die verkeerdheden uit de weg te ruimen en die gebreken weg te nemen. U zult zeker wel bereid zijn, mij die vreugde mogelijk te maken en u heeft slechts tijd nodig om het werkelijk te doen. Ik verwacht het dus, a) vertrouwende van u allen, dat mijn blijdschap uw aller blijdschap is.
a) 2 Corinthiërs 8:22. Galaten 5:10.
Beide keren, in Vers 1 v. en in Vers 3 v. spreekt Paulus van iets, dat hij voor zich niet wilde, namelijk: ten eerste wil hij niet in droefheid komen, waarom hij besloot, weg te blijven, ten tweede wil hij geen droefheid hebben als hij kwam, waarom hij hun schreef, voor hij kwam, maar beide keren was het hem toch om de gemeente te doen. Daar veronderstelt hij, dat zijn droefheid de gemeente bedroefd zou maken en hier spreekt hij het vertrouwen uit, dat zijn vreugde hun aller vreugde was.
De schoonste trekken, die Paulus in dat heerlijk lied van de liefde: 1 Corinthiërs 13:6 v. tekent, laat hij hier verwezenlijkt aanschouwen, in dit bewijs van zijn herdersliefde, in dit meesterstuk van apostolische kunst om zielen te winnen. Hij stort als het ware van de overvloed van zijn liefde in de lezers over, hij ademt die hun in. Hij miskent de werkelijkheid en het grote gebrek en de schaduwzijden in de gemeenten niet; maar hij appelleert op hun inwendig Christelijk wezen, op de inwendige levenskiem van hun in liefde werkzaam geloof, dat wel is aangetast, maar niet is verstikt. De overvloeiende mate van zijn apostolische liefde treedt nog vooral in het licht door de uitbreiding van zijn vertrouwen tot allen, bij zoveel verdeeldheid en disharmonie en bij de verbittering van zekere partijen tegen hen; maar zijn hart is ook daarvoor ruim genoeg. Hij stelt het allen nog bijzonder op de voorgrond door het te herhalen. Hij zoekt er toch ernstig naar, om de treurige zaak, waarover nu gehandeld wordt, te maken tot een heilige aangelegenheid van de gemeente en ook door deze hen allen met zich en onder elkaar te verbinden.
Eerst de gehele gemeente met liefde te winnen, dat is het wat de apostel zoekt; pas nadat tot dit doel al het mogelijke gedaan is en wel, zoals hij mag hopen, niet zonder vrucht, gaat hij in Hoofdstuk 10 v. over tot openlijke bestrijding en beschaming van zijn tegenstanders.
De Heere geeft aan elke zielverzorger van de Geest, die in Paulus deze wet heeft vervuld (Zacharia 7:10): "denk niet in uw hart de een des anderen kwaad! "
Is iemand verzocht geworden tot argwaan en bitterheid, dan is het Paulus geweest, onder wiens lijden de gevaren van valse broeders (Hoofdstuk 11:26) en het wee over ondankbare kinderen (Hoofdstuk 12:15) niet het minste was. Toch heeft de Heere hem sterk gemaakt in de liefde en in hem een zacht vriendelijk hart, een hart zonder bitterheid bewaard. 4. Want ik heb jullie bij hetgeen ik in 1 Corinthiërs 5:1, schreef, uit vele verdrukking en benauwdheid van het hart met vele tranen geschreven, hoewel ik niet zelf de pen voerde, maar een ander mijn woorden dicteerde. Ik schreef die berisping niet opdat u bedroefd zou worden. Hoewel dit als eerste gevolg van mijn schrijven niet te vermijden was, kon dat toch mijn eigenlijke bedoeling niet zijn, maar opdat u de liefde zodat verstaan, die ik overvloedig tot u heb. Dit was het doel, dat ik beoogde en als verkregen mag worden wat ik wilde bereiken, namelijk zo'n toestand als van de gemeente betaamt, zal dat u tot eeren mij tot vreugde zijn.
Hier zien wij uit welk een gezindheid waarlijk Christelijke, heilige bestraffingen en vermaningen moeten voortvloeien. Vele harde boetpredikers razen, ja tieren tegen de zonde en menen daarmee een echt gloeiende ijver te tonen en inmiddels zijn zij in hun binnenste zeer kalm, als oefenden zij de bestraffing uit tot vermaak. Een ware zielherder evenwel weent vooraf in zijn eenzaamheid vóór hij de tranen bij anderen uitlokt; hij lijdt zelf in stil nadenken voor hij een teken geeft van ongenoegen en hij voedt steeds in zijn binnenste meer smart, dan hij aan anderen veroorzaakt. Ook heeft men hier wel te letten op de tranen van Paulus, hun milde stroom getuigt van de weekheid van zijn hart, dat toch veel meer heldenmoed bezat dan het ijzerharde hart eens stoïcijns. Want hoe zachter en tederder de aandoeningen van de liefde zijn, des te meer verdienen zij lof.
Paulus beroept zich in Handelingen 20:19, 31. Filippenzen 3:18 op zijn tranen; deze zijn geen teken van een onmannelijk karakter, waarvan men Paulus zeker niet zal beschuldigen, maar van een tederheid, die uit de liefde van Christus voortvloeit en zich op haar voorbeeld kan beroepen (Lukas 19:41. Johannes 11:35).
Dat hij zich bijzonder verbonden voelde aan de gemeente te Korinthe, doordat hij daar zo lang was geweest en zo'n rijke zegen had gehad, waaronder hij daar arbeidde na een vroegere zware strijd en dat hij in deze gemeente zijn liefde zeer rijkelijk had uitgestrooid, is boven allen twijfel.
De liefde van de moeder voor haar kinderen openbaart zich het tederst jegens haar ziek kind en de liefde van de herder voor zijn schapen kan vooral worden gezien in het zoeken van een afgedwaald schaap. Zo had Paulus bij zijn zorg voor alle gemeenten (Hoofdstuk 11:28) een bijzondere liefde voor de Korinthiërs, omdat zij het meest liefde nodig hadden en hem de grootste moeite veroorzaakten.