17. Dat ik nu van
Vers 21b waar Ik mijn roemen op zal laten volgen, spreek, spreek ik niet naar de Heere, niet op die manier, als ik spreken zou, wanneer alleen de gedachte aan mijn verhouding tot God mij bestuurde, maar als in onwijsheid, op de manier, waarop men spreekt, als men zich in de toestand van dwaasheid bevindt; en in die bevinden wij ons toch werkelijk, omdat wij ons begeven in deze vaste grond van de roeming, dat toch zonder dwaasheid niet mogelijk is.
Als Paulus zegt, dat hij dit spreekt "niet naar de Heere, maar als in onwijsheid" dan is dat een onderscheid dat hij in 1 Corinthiërs 7:6, 10, 12, 25, 40 gemaakt heeft. "Naar de Heere" (Romeinen 15:5) kan hij niet zeggen, wat hij zelf als dwaas voorstelt, maar het betaamt hem het laatste op zichzelf alleen te nemen. Als hij naar de geest van Christus spreekt, die zachtmoedig is en nederig van hart, moet alle eigen roem buiten gesloten blijven - daarin ligt een juiste wenk voor de tegenstanders om ter harte te nemen. Terwijl hij zijn afwijking van deze regel zelf dwaasheid noemt (vgl. Vers 21, 23) heft hij de regels weer in de hoogte. Door God ingegeven en in de Heere gesproken is het woord, dat Paulus heeft geschreven, zonder de uitzondering, zoals die hier uitdrukkelijk is aangehaald; ja ook deze plaats zelf en de aan haar eigenaardige uitzondering heeft hij neergeschreven, zoals die daar staat volgens de regel van de goddelijke welvoeglijkheid, door de Heere onderwezen, evenals wanneer een geleerd man een jongen een brief dicteert, zoals die voor de knaap past, toch de knaap uit zichzelf niet zo zou hebben kunnen schrijven.
EPISTEL OP DE ZONDAG NA SEXAGESIMA
In overeenstemming met het Evangelie (Lukas 8:4) wordt in het epistel van de dag, die over de vervolgingen handelt, die Paulus bij het volvoeren van zijn ambt heeft geleden en over het heerlijke door hem gezien deze (als doctor gentium en dux verbi praecipuus et vere seminator verborum) apostel als toonbeeld en voorbeeld deels van de verkondiging van het goddelijk woord, deels van de honderdvoudige vrucht daarvan voorgesteld.
Het verband tussen Evangelie en epistel wordt daarin duidelijk, dat de arbeid van de Mensenzoon zich afspiegelt in de arbeid van Zijn apostel. In het evangelie treedt de aard van de akker, in het epistel, die van de zaaier op de voorgrond.
Het epistel stelt ons de heilige Paulus, de krachtige zaaier van Christus voor, zoals hij op zijn groot arbeidsveld voortgaat en het zaad uitstrooit. Waarlijk hij gaat voort al wenend en zaait een zaad (Psalm 126:6). Bestreden door de ondank van de Corinthiërs en door de stoute leugens, waarmee valse apostelen zich van zijn arbeidsveld probeerden meester te maken, inwendig genoodzaakt en gedrongen door de waarneming, dat het deze valse leraars te Corinthiërs geenszins ontbrak aan alle voorspoed, doet hij met tegenzin zijn mond open om van zichzelf te spreken. Hij geeft een overzicht van zijn apostolischen levensloop, dat ons niemand zo kort en toch tevens zo volledig zou hebben kunnen geven als hij. Opeens vernemen wij zaken, die ons noch de Handelingen, noch enige andere brief van de apostel noemt. Wij zien op het zaadveld, waarvan het Evangelie spreekt, de zaaier vol moeite en tranen, die in de herfst van de tijd heengaat en zijn zaad moet uitwerpen, met des te meer hoop op de eeuwigheid, omdat de mensen, waaronder hij leeft en zaait een zo geringe hoop op een oogst hem laten koesteren.
Wij hebben de apostel te danken, dat hij zich Zijn ware roem niet heeft laten ontroven, want hij heeft ons 1) daardoor getoond hoe dwaas en verwerpelijk alle ijdele eigen roem is; 2) ons een spiegel voorgehouden, waarin wij ons handelen en lijden in de dienst van Christus kunnen beproeven; 3) ons herinnerd, dat onze ware sterkte alleen in de kracht van de Heere bewust.
Wanneer mag zich een Christen beroemen? Als zijn roemen voor de zaak van Christus bevorderlijk is 2) als de genade van God door zijn roemen verheerlijkt wordt.
Wat wij van het voorbeeld van Paulus en zijn tegenstanders kunnen leren: 1) hoe zwak mensen worden, als zij sterk willen zijn, zien wij in de tegenstanders; 2) hoe sterk een mens kan worden, als hij zwak is, zien wij in de apostel.
Beroem u o Christen, 1) op het leed dat u draagt; 2) op het paradijs, dat u mag inzien; 3) op de genade, die u staande houdt. Het levenspad van de held van God: 1) door doornen en smart omgeven; 2) door de glans van het paradijs verlicht; 3) door de rotsgrond van de genade gedragen. Hoe de eeuwig levende Christus Zijn gelovigen leidt: 1) door arbeid, smart en doodsgevaar; 2) naar het paradijs; 3) onder vuistslagen van de satan; 4) in de genade van God.
Paulus ons voorbeeld in het vasthouden aan het Evangelie van Jezus Christus; voorbeeldelijk is 1) zijn ijver voor het Evangelie; 2) zijn zekerheid van het Evangelie; 3) zijn lijden om het Evangelie.