20. Maar u gaat met uw toegeeflijkheid jegens de dwazen zover, dat men zich billijkerwijze daarover verwondert; want u verdraagt het, als u iemand in geestelijk opzicht dienstbaar maakt, als u iemand opeet (
Mattheus 23:14) als iemand van u neemt uw have en uw goed, of uw eigen persoon door allerlei sluwe middelen in zijn bezit neemt (
Hoofdstuk 12:16), als zich iemand verheft, zich trots en overmoedig tegenover u gedraagt, als u iemand zo smadelijk behandelt, dat hij u zelfs in het aangezicht slaat, zoals die mensen dat alles werkelijk met u doen.
De apostel tast de Corinthiërs op de fijnste en daarom ook op de scherpste manier aan. Zijn taal is vol heilige spot, niet bijtend maar diep beschamend. Zijn woorden zijn niet in een scherpe, bijtende vloeistof gedoopt, maar zij vloeien voort uit een diep bewogen hart als een zalf, die eerst bijt, om des te beter te verzachten, te genezen. Hij houdt hen nu voor hoe zij het in het dragen van de dwazen tot een zeldzame volmaaktheid hebben gebracht, hoe het hun gewoonlijk een lust is, hun geschiktheid om te dragen in dit opzicht te tonen. Wat zij dragen is niet één zaak, maar velerlei, niet één onbillijkheid, maar een geheel leger van onbeschaamdheid en stoutheid. De rede van de apostel is bewogen als zijn hart; vijfmaal zegt hij: "Als u iemand" zij, de Corinthiërs weten wel, wie hij onder die "iemand" bedoelt, het zijn die velen, die naar het vlees roemen (Vers 18) die valse apostelen en bedrieglijke arbeiders, waarvan in Vers 13 sprake was. Deze wierpen zichzelf op tot meesters over hun geloof en hun geweten en beschouwden hen slechts als substraat voor hun heerszucht; hun have, hun goed zagen zij als een welkom bevredigingsmiddel van hun genotzucht aan. In de derde zin, zegt vervolgens Paulus, op welke weg zij tot hun doel komen: Zij beginnen daarmee, dat zij, de verscheurende wolven, zich in schaapsklederen kleden, zij verstrikken, omgeven met lieftalligheden en voorkomendheden de argeloze zielen, nemen ze in met hun gevlei en met hun zoete woorden en nemen ze zo geheel in dat zij hen tot allerlei diensten verbinden en verplichten. Als zij zo de onschuldigen met listigheid gevangen hebben verheffen zij zich vol trotsheid boven hun aanhangers en nu kennen zij geen maat meer; zij behandelen ze als hun lijfeigene op de smadelijkste en onbeschaamdste manier. Die zij eerst als lieve vaders, evenals ware het hun lieve kinderen, de wangen streelden, slaan zij nu ten slotte met de vuist in het aangezicht. Wat Paulus hier zegt is sterk, maar het is niet te sterk door hem voorgesteld. Het is bijna ongelofelijk wat mensen zich laten welgevallen door diegenen, die hen in de waan hebben gebracht iets te weten en iets te zijn. De hoogmoed, die zij hen hebben ingeblazen, doet hun zo goed, dat zij de vuistslagen vergeten of zelfs niet voelen, die zij in het aangezicht van hun meesters ondervinden.
Van alles wat zij van de valse profeten ondervonden, hadden zij in Paulus het tegendeel gezien (vgl. 1 Corinthiërs 9:19. 2 Corinthiërs 11:9; 4:12; 6:6; 10:1; 5:11 hoe was het mogelijk, dat de "wijze" Corinthiërs, mensen, die niet weinig inbeelding van zichzelf hadden, iets dergelijks verdroegen?
Er zijn straffen van God over hen, die het Evangelie niet met liefde en dankbaarheid aannemen, van wie Christus zegt (Johannes 5:43): ik ben gekomen in de naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan, als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen. " God is rechtvaardig in zo'n gericht, omdat men de boden van de duivel duizendmaal meer eert, terwijl men alles onder hen doen en lijden moet.