40. Maar zij is ten gevolge van de rust van het hart, die zij in de vrijheid van aardse zorgen geniet en omdat het voor haar gemakkelijk is om zich onverdeeld over te geven aan de dienst en de gemeenschap van de Heere, gelukkiger, als zij zo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook evengoed, zo niet beter nog dan anderen, die zich op het bezit daarvan beroemen, op een wijze, als was die hun uitsluitend eigendom, a) de Geest van God te hebben. Ik mag daarom wel verwachten, dat u mijn mening niet beschouwt als een zuiver er voor houden, maar haar aanneemt als de raad van een dienaar van Christus, die door hoger licht bestraald wordt en die men weldoet te volgen.
a) 1 Thessalonicenzen 4:8
Reeds vroeger (vs 8) heeft de apostel ook aan de weduwen gedacht, dat zij er goed aan zouden doen om het te blijven, hoewel haar het wederhuwen niet verboden moest zijn. Maar pas nu, nadat hij over de maagden aan de vaders zijn mening gezegd heeft, gaat hij ertoe over, ook over het huwen van een vrouw te spreken, die gehuwd geweest is. Hij had dit niet meer nodig en zou het zeker niet zo doen als hij het doet, als hem de aard en wijze, waarop de gemeente zich in haar brief had uitgelaten, niet bepaalde aanleiding daartoe had gegeven.
Over de man schijnt het tweede huwelijk niet betwijfeld te zijn, waarschijnlijk omdat bij weduwnaars een nieuw huwelijk vooral een dringende behoefte pleegt te zijn voor de kinderen, die van de moeder beroofd zijn. In latere tijd vertoont zich echter een zekere haat, die op de tweede echt ook van de mannen drukte. Geestelijken mogen niet voor de tweede maal gehuwden zijn. (1 Timotheus 3:2), onder bepaalde omstandigheden werden zulke (vgl. ook 1 Timotheus 5:9), zelfs van het heilig avondmaal uitgesloten. Het "alleen in de Heere" wil niet zeggen, dat zij, die voor de tweede maal in de echt zich begeeft, haar keuze moet doen in waarachtig Christelijke zin, maar omdat "die zij wil" vooraf gaat, kan het "in de Heere" alleen zien op de persoon, die zij huwt; zij mag alleen met de Christen trouwen.
Paulus stemt dus niet in met de toelating van de wet van het huwelijk tussen Christenen en Joden.
In de slotwoorden van de gehele uiteenzetting: "Ik meen ook de Geest van God te hebben" heeft het vergelijkende "ook" een polemische en zelfs ironische kleur. Evenals zij, die zich beroemen op hun geestesgaven, of als de door hen hoog verheven apostelen, waarbij hij zelfs niet eens als apostel werd geacht, gelooft Paulus zich de krachten van de Geest te mogen toeschrijven, terwijl hij zich bedient van een litotes, of van zo'n spreekwijze, waardoor men minder zegt dan men wil uitdrukken en door het woord "ik meen ook" de zaak nog voorstelt als onuitgemaakt, hoewel zij toch reeds vast en zeker is.
Evenals men vaak door een bijgevoegde verzekering een zaak twijfelachtig maakt, zo bedient men zich omgekeerd van een twijfelende uitdrukking, om iets ontwijfelbaars te zeggen.
Al is er dan voor de Christenheid door alle tijden niet zo'n donker en gevaarlijk tijdsgewricht ophanden als in Paulus' dagen, nochtans is de tijd van ons leven voor een ieder van ons kort en predikt ons menige ondervinding, dat de gedaante van deze wereld voorbijgaat, zodat het goed is, ons aan niets dat loffelijk is en tot deze aarde behoort, onafscheidelijk te hechten, maar veeleer de wereld te gebruiken als niet misbruikend. Hij, die deze wijsheid door de genade van de Heilige Geest leren mag, zal van al het ondermaanse een juist genot hebben en een waar voordeel trekken; hij zal meer en meer aan de Heiland verbonden worden en zich zo aan Hem hechten, dat daarin al zijn schat en verwachting zij, dat hij een rijkdom vergadert, die voor de eeuwigheid is, om bij het sterven niet met de wereld verloren te gaan, maar veeleer gelukkig te worden.