2 Corinthiërs 11:16-21
Hier hebben wij een nieuwe verontschuldiging voor hetgeen de apostel verder tot zijn zelfverdediging zeggen zal.
1. Hij wil niet dat iemand hem voor schuldig aan onwijsheid houden zal, omdat hij tot zijn verdediging zoveel zegt. Niemand mene dat ik onwijs ben, vers 16. Over het algemeen is het inderdaad onbehoorlijk voor een wijs man om veel en dikwijls tot zijn eigen roem te spreken. Eigen roem is gewoonlijk een bewijs niet alleen van hoogmoed, maar ook van onwijsheid. Thans echter, zegt de apostel: neemt mij aan als een onwijzen, dat is: ofschoon ge het voor onwijs houdt dat ik een weinig roem, geeft evenwel behoorlijk acht op hetgeen ik zeggen zal.
2. Hij geeft een waarschuwing om niet verkeerd op te vatten wat hij zeggen zal, hun mededelende: dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, vers 17. Hij verlangt dat men niet denken zal, dat roemen van zich zelven over het algemeen door Christus den Christenen aanbevolen is, of dat het altijd tot onze zelfverdediging nodig is. Soms is het geoorloofd en niet tegen den Heere ingaande, maar strikt genomen, is het niet naar den Heere. Het is plicht en roeping van de Christenen, in gehoorzaamheid aan het bevel en het voorbeeld des Heeren liever zich zelven te vernederen en te verlagen, maar voorzichtigheid moet hen leren in welke omstandigheden het nodig is te doen wat wij wettig doen mogen, en te getuigen van hetgeen God voor ons, in ons, en zelfs door ons gewrocht heeft.
3. Hij geeft een goede reden op, waarom zij een weinig roem van hem verdragen moeten, namelijk, zij verdragen het wel dat anderen met veel minder reden roemen. Omdat velen roemen naar het vlees (voor vleselijke voorrechten, uitwendige voordelen en verloksels) zo zal ik ook roemen, vers 18. Maar hij wil zich met die dingen niet verheerlijken, ofschoon hij veel meer reden had dan anderen om zulks te doen. Doch hij zal, zoals hij later zegt, roemen in zijne zwakheden. De Corinthiërs hielden zich zelven voor wijs, en hielden het voor een teken van wijsheid de zwakheden van anderen te verdragen en duldden het daarom dat anderen dingen verrichtten, die onwijs schenen te zijn, en daarom verlangde de apostel, dat zij ook hem verdragen zouden. Tenzij men de woorden: Gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt, vers 19, mag houden voor ironie, en dan is dit de bedoeling: Niettegenstaande al uwe wijsheid, verdraagt gij het gewillig om dienstbaar gemaakt te worden onder het Joodse juk, gij verdraagt dat anderen over u heersen, ja u opeten, u tot hun prooi maken, van u nemen bezoldiging tot hun eigen voordeel, zich boven u verheffen en den baas over u spelen, zelfs u in het aangezicht slaan, u zonder omwegen lasten opleggen, vers 20, u verwijten doen terwijl zij mij beschuldigen, alsof gij zeer zwak geweest waart door mij te achten, vers 20. Aangezien dit het geval was, en de Corinthiërs, of sommigen hunner, gemakkelijk dat alles van de valse apostelen verdragen konden, was het redelijk van den apostel te begeren en te verwachten, dat zij geduld zouden hebben met hetgeen in hem onbescheidenheid scheen te zijn, want de toestand had dat voor hem noodzakelijk gemaakt, dat waarin zij stout waren, hij ook stout was, vers 21.