2 Koningen 5:15-19
Van de tien melaatsen, die onze Heiland gereinigd heeft, was de enige, die terugkeerde om Hem te danken, een Samaritaan, Lukas 17:16. Deze Syriër deed het, die zich hier:
I. Overtuigd betoont van de macht van de God van Israël, niet slechts dat Hij is, maar dat Hij alleen God is, en dat er inderdaad geen God is op de gehele aarde dan in Israël, vers 15. Een schone, heerlijke belijdenis! maar die tevens de ellende aantoont van de heidenwereld, want de volken die vele goden hadden, hadden in werkelijkheid geen God, maar waren zonder God in de wereld. Tevoren had hij gedacht dat de goden van Syrië wezenlijke goden waren, maar nu heeft de ervaring zijn dwaling hersteld, en wist hij dat Israëls God alleen God is, de oppermachtige Heere van allen. Indien hij andere melaatsen gereinigd had gezien het zou hem misschien niet overtuigd hebben maar de weldaad van de genezing deed hem meer aan dan het wonder ervan. Diegenen zijn het best instaat om van de macht van de Goddelijke genade te spreken, die haar zelf ervaren hebben.
II. Dankbaar aan Elisa, de profeet. "Daarom heb ik om de wille van Hem, wiens dienstknecht gij zijt, een geschenk voor u, zilver, en goud, en kleren, al wat u gevallen zal aan te nemen." Hij schatte de genezing niet naar het gemakkelijke er van voor de profeet, maar naar de weldaad er van voor hemzelf, en hij zou gaarne dienoverkomstig er voor willen betalen. Maar Elisa weigert edelmoedig de beloning, hoewel hij sterk gedrongen wordt om haar aan te nemen, en, om verder dringen te voorkomen, bekrachtigde hij zijn weigering met een eed: Zo waarachtig als de Heere leeft indien ik het neme! vers 16, niet omdat hij het niet nodig had, want hij was arm genoeg, en wist wel wat er mee te doen, hoe het te besteden aan de zonen van de profeten, ook niet omdat hij het ongeoorloofd achtte, want hij ontving geschenken van anderen, maar hij wilde aan deze Syriër niets verplicht zijn, deze moest niet zeggen: "ik heb Elisa rijk gemaakt," Genesis 14:23. Het zal ten zeerste tot eer van God strekken, om aan deze nieuwe bekeerling te tonen, dat aan de dienstknechten van de God Israëls geleerd was, om met heilige minachting op de rijkdom van deze wereld neer te zien, hetgeen hem zou bevestigen in zijn geloof, "dat er geen God is dan in Israël." Zie 1 Corinthiers 9:18, 2 Corinthiers 11:9.
III. Bekeerd tot de aanbidding van de God Israëls. Hij wil niet slechts een offerande offeren aan de Heere uit dankbaarheid voor zijn genezing, maar hij besluit nooit aan een andere god te offeren, vers 17. Het was een gelukkige genezing van zijn melaatsheid, die hem genas van zijn afgoderij, een nog gevaarlijker ziekte. Maar hier zijn twee voorbeelden van het zwakke en gebrekkige in zijn bekering.
1. In één opzicht deed hij er te veel in, daar hij niet slechts de God Israëls wilde aanbidden, maar hij wilde aardkluiten hebben uit de tuin van de profeet, of die tenminste door hem verordineerd waren, om er een altaar van te maken, vers 17. Hij, die een poosje daarvoor zeer minachtend had gesproken van het water van Israël, vers 12, gaat nu over tot een ander uiterste, en overschat de aarde van Israël, veronderstellende dat (daar God geboden had een altaar van aarde te maken, Exodus 20:24) een altaar van aarde Hem het meest welgevallig zou zijn, niet bedenkende dat de gehele aarde van de Heere is, en haar volheid of misschien heeft zijn vervoering van genegenheid en eerbied voor de profeet, niet alleen vanwege zijn macht, maar ook vanwege zijn deugd en edelmoedigheid, hem-zoals wij zeggen-de grond doen liefhebben, waarop hij trad, zodat hij wenste er een weinig van mee naar huis te nemen. Het was een beleefdheid als waarmee men heden ten dage zegt: "doe mij het genoegen mijnheer, om mij uw portret te schenken". 2. In een ander opzicht deed hij echter te weinig, hierin namelijk, dat hij zich de vrijheid voorbehield om zich in het huis van Rimmon te buigen ten gerieve van de koning, zijn meester, en naar de plicht van zijn plaats aan het hof het eiste, vers 18, in deze zaak wenste hij verontschuldigd te worden. Hij erkent dat hij het niet behoorde te doen, maar dat hij, als hij het niet deed, zijn plaats aan het hof niet kon behouden, hij betuigt dat hij er zich nooit meer, zoals voorheen, ter ere van de afgod zal buigen, maar alleen ter ere van de koning, en daarom hoopt hij dat God het hem zal vergeven. Misschien kan, alles in aanmerking genomen, hiervoor enige verschoning worden aangevoerd, al kan het niet goedgekeurd of gerechtvaardigd worden. Maar wat ons betreft, ben ik er zeker van, dat wij:
a. Zo wij met God in verbond tredende, een voorbehoud maken om enigerlei ons bekende zonde aan te houden, dat voorbehoud een vernietiging is van Zijn verbond. Wij moeten al onze overtredingen wegdoen, en generlei huis van Rimmon uitzonderen.
b. Hoewel wij aangemoedigd worden om te bidden om vergeving van de zonden, die wij bedreven hebben, zou het toch een spotten zijn met God en een bedriegen van onszelf, indien wij om dispensatie vroegen om voor het vervolg met enigerlei zonde te mogen voortgaan.
c. Zij, die niet instaat zijn om een betrekking aan het hof te verlaten als zij haar niet kunnen behouden zonder te zondigen tegen God en hun eigen geweten geweld aan te doen, schatten de gunst van God niet op de juiste waarde.
d. Zij, die in waarheid het kwade haten, zullen er een gewetenszaak van maken om alle schijn van kwaad te vermijden. Naämans ontveinzen van zijn Godsdienst kan niet goedgekeurd worden, omdat echter met zijn belofte om aan geen anderen god te offeren, dan alleen aan de God Israëls, al veel gewonnen was bij een Syriër, en omdat hij door vergeving te vragen in deze zaak, zulk een mate van overtuiging en oprechtheid aan de dag legde, dat er goede hoop was op verbetering en vooruitgang, kon de profeet in vriendschap afscheid van hem nemen met een: Ga in vrede, vers 19. Er moet met pas bekeerden teder en voorzichtig gehandeld worden.