2 Koningen 13:1-9
Dit algemene bericht van de regering van Joahaz en van de toestand van Israël gedurende deze zeventien jaren, is kort, maar toch lang genoeg, om ons twee dingen te doen zien, die zeer treffend en leerrijk zijn.
I. Israëls heerlijkheid ingerekend in de as, begraven, verloren, te schande gemaakt. Hoe weinig gelijkt Israël hier op wat het geweest is, en wat het had kunnen zijn! Hoe is zijn kroon ontheiligd, en zijn eer in het stof gelegd!
1. Het was Israëls eer, dat zij de enig levende en ware God aanbaden, die een Geest is, dat zij regelen hadden, door Hemzelf vastgesteld, waarnaar zij Hem moesten aanbidden, maar door de heerlijkheid van hun onverderflijke God te veranderen in de gelijkenis van een beeld van een os de waarheid Gods in een leugen, verloren zij deze eer, en maakten zij zich gelijk aan de volken, die het werk van hun eigen handen aanbaden. Wij bevinden hier dat de koning wandelde in de zonden van Jerobeam vers 2, en dat het volk er niet van afweek, maar daarin wandelde, vers 6. Geen groter smaad kon er zijn dan deze twee vergoodde kalveren waren voor een volk, dat onderwezen was in de dienst van God, en aan hetwelk de levende orakelen waren toevertrouwd. In geheel de geschiedenis van de tien stammen zien wij nooit, dat die afgoderij ook maar het minst aan het wankelen werd gebracht, onder iedere regering was het kalf nog altijd hun god, en zonderden zij zich af tot die schaamte.
2. Het was Israëls eer, dat zij onder de bijzondere bescherming van de hemel genomen waren. God zelf was hun hoog vertrek, het schild van hun hulp, en het zwaard van hun hoogheid. Welgelukzalig waart gij o Israël, te dien opzichte. Maar hier, evenals dikwijls tevoren, vinden wij hen ontdaan van deze heerlijkheid, en blootgesteld aan de smaad en de beledigingen van hun naburen. Zij hadden door hun zonden God tot toorn verwekt, en toen gaf Hij hen in de hand van Hazaël en van Benhadad, vers 3. Hazaël verdrukte Israël, vers 22. Nooit voorzeker was enig volk zo geplukt en geplunderd door zijn naburen als Israël. Dit hebben zij zelf over zich gebracht door zonde, toen zij God er toe gebracht hadden hun omheining weg te nemen, heeft de schoonheid, de vruchtbaarheid van hun land hun naburen slechts verlokt om op hen te azen. Zozeer was Israël onder deze regering naar de diepte gebracht door de vele rooftochten van de Syriërs in hun land, dat de gehele krijgsmacht van de rijken, die zij te velde konden brengen, bestond uit niet meer dan vijftig ruiters, tien wagens, en tien duizend man voetvolk, een armzalig leger! vers 7. Zijn de duizenden Israëls hiertoe gekomen? Hoe is het goud zo verdonkerd! De verdorvenheid van een natie zal gewis haar vernedering, haar verval veroorzaken.
II. Sommige vonken van Israëls aloude heerlijkheid gloren nog onder deze as. Niettegenstaande al deze twisten wordt het niet vergeten, dat dit volk het Israël van God is, en dat Hij Israëls God is. Want:
1. Het was de aloude eer van Israël, dat zij een biddend volk waren, en hier zien wij iets van die eer herleven, want Joahaz, hun koning heeft in deze benauwdheid des Heeren aangezicht ernstig aangebeden, vers 4, zich om hulp gewend, niet tot de kalveren (welke hulp konden die hem verlenen?) maar tot de Heere. Het betaamt koningen bedelaars te zijn aan Gods deur, en de voornaamsten om ootmoedige smekelingen te zijn aan de voetbank van Zijn troon. De nood zal hen er heen drijven.
2. Het was de aloude eer van Israël, "dat de Heere hun nabij was zo dikwijls als zij Hem aanriepen," Deuteronomium 4:7, en zo was Hij hun ook nu nabij. Ofschoon Hij rechtvaardig zijn gebed had kunnen afwijzen, als zijnde Hem een gruwel, verhoorde de Heere Joahaz, hoorde naar zijn gebed voor zichzelf en voor zijn volk, vers 4, en Hij gaf Israël een verlosser, vers 5 niet in Joahaz zelf, want al zijn dagen heeft Hazaël Israël verdrukt, maar in zijn zoon, aan wie God, als verhoring van het gebed van zijn vader, voorspoed gaf tegen de Syriërs, zodat hij de steden heroverde, die zij van zijn vader genomen hadden, vers 25. God heeft het gebed van Joahaz genadig verhoord, niet om zijnentwil, noch ter wille van dat onwaardige volk, maar om Zijns verbonds wil met Abraham, vers 23. Hij had lang tevoren beloofd, dat Hij in dusdanige nood Zijn verbond zou gedenken, Leviticus 26:42. Zie hoe vaardig God is om genade te betonen, hoe bereid om het gebed te verhoren, hoe gaarne Hij een reden wil vinden om genadig te zijn, want anders zou Hij niet zó ver terugzien naar dat aloude verbond, het welk Israël zo menigmaal had verbroken, en waarvan zij alle weldaden verbeurd hadden. Laat dit ons voor altijd aan Hem verbinden, en zelfs diegenen, die Hem verlaten hebben, aanmoedigen om tot Hem weer te keren, want bij Hem is vergeving opdat Hij gevreesd wordt.