2 Koningen 4:38-44
Wij hebben hier Elisa aan deze plaats in zijn element onder de zonen van de profeten, hen onderwijzende en als een vader voor hen voorziende en gelukkig was het voor hen dat er iemand over hen gesteld was, die geheel natuurlijk belang stelde in hun toestand, onder wie zij wèl gevoed en wèl onderwezen werden. Er was honger in het land, vanwege de boosheid van degenen, die daarin woonden, dezelfde honger als die, waarvan wij lezen in Hoofdstuk 8:1. Hij hield zeven jaren aan, juist zolang als die in de tijd van Elia, er was een honger naar brood, maar "niet om te horen het woord des Heeren," Amos 8:11, want de zonen van de profeten zaten voor Elisa om zijn wijsheid te horen, zij leerden, om anderen te kunnen onderwijzen. Wij hebben hier twee voorbeelden van de zorg, die hij droeg voor hun spijze. Christus heeft hen gespijzigd voor wie hij predikte. Elisa droeg er nu temeer zorg voor vanwege de honger, opdat de zonen van de profeten in deze kwade tijd niet beschaamd zouden worden, maar zelfs "in de dagen van de honger verzadigd zouden worden," Psalm 37:19.
I. Hij maakte vergiftig voedsel onschadelijk en gezond.
1. Op zekere dag, dat hij een voordracht voor hen zou houden, en de zonen van de profeten gekomen waren om hem te horen, beval hij zijn dienaar om spijs voor hen te bereiden om hun lichaam te voeden, terwijl hij het brood des levens brak voor hun ziel. Of er enigerlei vleesspijze voor hen was, blijkt niet, hij beval slechts de grote pot aan te zetten om moes voor hen te koken, vers 38. De zonen van de profeten behoren voorbeelden te zijn van matigheid en doding van het vlees, niet begerig te zijn naar lekkernijen, maar tevreden te wezen met eenvoudig voedsel. Als zij noch geurig toebereide spijzen hebben, noch gebak, ja, als zij slechts een schotel moes hebben voor hun middagmaal, zo laat hen gedenken dat deze grote profeet zichzelf en zijn gasten op niets beters onthaalde.
2. Een van de dienaren, die uitgezonden was om moeskruiden te vergaren, bracht bij vergissing kruiden, die schadelijk of tenminste zeer walgelijk waren, en sneed ze in de pot wilde kolokwinten worden zij genoemd, vers 39. Sommigen denken dat het coloquintida waren een kruid van sterk purgerende eigenschap en ongewijzigd, uiterst gevaarlijk. De zonen van de profeten schenen meer bedreven te zijn in Godgeleerdheid dan in natuurlijke historie, en hun Bijbel meer te lezen dan hun boek over kruidkunde. Indien sommige vruchten van de aarde schadelijk zijn, dan moeten wij dit beschouwen als een uitwerksel van de vloek: Doornen en distelen zal zij u voortbrengen, want de oorspronkelijke zegen had alles goed gemaakt.
3. De gasten klaagden aan Elisa over het ongezonde van de spijze. De natuur heeft de mens het zintuig van de smaak gegeven, niet slechts opdat gezond voedsel aangenaam zou zijn, maar opdat het ongezonde ontdekt zou worden eer het in de maag komt, "het gehemelte smaakt de spijze," Job 12:11. Dit moes werd door de smaak er van spoedig ontdekt gevaarlijk te zijn, zodat zij uitriepen: De dood is in de pot! vers 40. De tafel wordt dikwijls een strik, en hetgeen ons tot welzijn meest strekken, blijkt een valstrik, hetgeen een goede reden is, waarom wij ons niet zonder vrees voeden. Als wij de steun en het lieflijke van het leven ontvangen, dan moeten wij de verwachting van de dood aanhouden, en vrees koesteren om te zondigen. 4. Elisa nam terstond de slechte smaak van de spijze weg, en voorkwam de boze gevolgen van dit ongezonde moes, zoals hij tevoren het bittere water met zout had genezen, zo genas hij nu dit bittere moes met meel, vers 41. Waarschijnlijk was er reeds meel in, maar dat was er door een gewone hand in gedaan, alleen maar om het moes te binden of smeuïg te maken, en dit meel was hetzelfde, maar nu werd het er door Elisa's hand in gedaan met de bedoeling om dit ongezonde moes gezond te maken, en hieruit bleek, dat het meel niet de verandering heeft teweeggebracht (het meel was slechts het teken, niet het middel), maar alleen de kracht en de macht Gods. Nu was alles wèl, er was nu niet slechts geen dood, maar ook niets kwaads in de pot. Wij moeten Gods goedheid erkennen, die onze spijze gezond en voedzaam maakt. Ik ben de Heere uw heelmeester.
II. Hij deed een weinig spijze vèr reiken.
1. Aan Elisa werd een geschenk gebracht van twintig gerstebroden en enige korenaren vers 42, een geschenk, dat in die tijd nooit te verachten was, nu er honger was in het land. Het wordt gezegd broden van de eerstelingen te zijn geweest, die uit de oogst aan God toekwamen en nu de priesters en Levieten allen te Jeruzalem waren, buiten hun bereik, hebben de vrome mensen onder hen met alle recht en rede de profeten als Gods ontvangers beschouwd, en hun eerstelingen tot hen gebracht, hetgeen bijdroeg om hun scholen in stand te houden.
2. Om niet ontvangen hebbende, gaf hij om niet, hij beval dat het alles de zonen van de profeten voorgezet zou worden, niets voor zichzelf houdende, en niets voor later, laat de morgen voor het zijne zorgen, geef het alles aan het volk, dat zij eten. Het betaamt mannen Gods edelmoedig en vrijgevig te zijn, de vaders van de profeten om vrijgevig te zijn voor de zonen van de profeten.
3. Hoewel de broden waarschijnlijk klein waren, niet groter dan een man gewoonlijk voor zijn maaltijd opeten kon, heeft hij toch met twintig er van honderd mannen verzadigd, vers 43, 44. Zijn dienaar dacht dat het slechts tandtergend was om aan zoveel mannen zo weinig spijze voor te zetten, en het een schande voor zijn meester zou zijn om zovelen op zo'n schraal maal uit te nodigen, maar hij heeft het in de naam van God een ruim voldoende maaltijd voor hen genoemd, en zo bleek het ook te zijn, zij aten, en hielden over niet uit gebrek aan eetlust, maar omdat het brood onder het eten toenam. God heeft aan Zijn kerk beloofd, dat Hij haar kost rijkelijk zal zegenen, "en haar nooddruftigen met brood zal verzadigen," Psalm 132:15, want die Hij voedt verzadigt Hij en wat Hij zegent wordt veel, zoals hetgeen waar Hij op blaast, weinig wordt, Haggai 1:9. Het spijzigen van Zijn hoorders door Christus was een veel groter wonder dan dit, maar beide leren ons dat zij, die de Heere verbeiden in de weg van de plicht, kunnen hopen zowel beschermd als verzorgd te worden door een bijzondere zorg van Gods voorzienigheid.