2 Koningen 8:1-6
Hier hebben wij, dat:
I. De boosheid van Israël gestraft wordt met een langdurige hongersnood, een van Gods zware oordelen, waarmee dikwijls in de wet gedreigd is. Kanaän, dat vruchtbare land, is tot zoute grond gemaakt, om de boosheid dergenen, die daarin wonen. De hongersnood in Samaria was spoedig geëindigd door de opbreking van het beleg, maar noch dat oordeel, noch die barmhartigheid had een goede invloed op hen, en daarom roept de Heere nog een hongersnood, want als Hij oordeelt, zal Hij overwinnen, indien de kleinere oordelen de mensen niet tot berouw en bekering brengen, dan zal Hij groter en langduriger oordelen zenden, zij staan Hem ten dienste en zullen komen, als Hij ze roept. Door Zijn dienstknechten roept Hij tot bekering en gehoorzaamheid, en zo op Zijn roepstemmen geen acht wordt geslagen, dan kunnen wij verwachten dat Hij de een of andere plaag zal roepen want Hij zal gehoord worden. Deze hongersnood duurde zeven jaren, even lang als die in Elia's tijd, indien de mensen in tegenheid met Hem willen wandelen, dan zal Hij de oven nog heter maken.
II. De vriendelijkheid van de Godvruchtige Sunamietische voor de profeet beloond door de zorg, die voor haar gedragen werd in die hongersnood, wèl werd zij niet, zoals de weduwe te Sarepta, door een wonder gevoed, maar:
1. Er werd haar kennis gegeven van die hongersnood, eer hij nog gekomen was, teneinde daarnaar haar maatregelen te kunnen nemen, en haar werd gezegd naar een ander land te verhuizen, overal zo het slechts buiten het land Israëls was, zal zij overvloed vinden. Het was in Jozefs tijd een groot voordeel voor Egypte, dat er kennis werd gegeven van de hongersnood voordat hij kwam, en evenzo was dit een voorrecht voor deze Sunamietische. Anderen zullen ten slotte tot vertrekken genoodzaakt zijn, nadat zij lange tijd van de honger geleden hadden en hun bezittingen verteerd waren, en dan konden zij zich elders niet op zo goede voorwaarden vestigen als zij, die reeds vroeg weggegaan was, voordat de grote menigte kwam, en haar voorraad dus had kunnen meenemen. Het is een geluk voor ons om een kwaad te voorzien, en het is onze wijsheid om, als wij het voorzien, ons te verbergen.
2. Door Gods voorzienigheid geleid, kon zij zich gerieflijk vestigen in het land van de Filistijnen, die, hoewel door David tenonder gebracht, toch niet geheel uitgeroeid waren. Het schijnt dat de hongersnood tot het land Israëls beperkt was, en dat er op de zelfde tijd in andere landen, die er aan grensden, overvloed was, hetgeen duidelijk toont dat er de hand Gods in was zoals in de plagen van Egypte, die onderscheid maakten tussen de Israëlieten en de Egyptenaren, en dat de zonden van Israël, tegen wie dit oordeel gericht was, God meer tot toorn verwekten dan de zonden van hun naburen, omdat Israël beleed tot God in betrekking te staan. "Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik ulieden alleen gekend, daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken," Amos 3:2. Andere landen hadden regen als zij er geen hadden, waren vrij van sprinkhanen en rupsen, als zij er door opgegeten werden, want sommigen denken dat dit de hongersnood was, waarvan gesproken wordt in Joël 1:3, 4. Het is vreemd dat, toen er in de naburige landen overvloed was, er geen personen waren, die er hun bedrijf van maakten koren in te voeren in het land Israëls, hetgeen voorkomen zou hebben dat de inwoners naar elders vertrokken, maar gelijk zij verdwaasd waren in hun afgoderijen, zo was hun oordeel ook verzwakt ten opzichte van hun maatschappelijke belangen. III. Haar verzoek aan de koning bij haar terugkomst.
1. Toen de hongersnood voorbij was, keerde zij weer uit het land van de Filistijnen, dat land was ook geen geschikte verblijfplaats voor Israëlieten, zij moest er niet langer blijven dan volstrekt noodzakelijk was, want daar kon zij haar nieuwe maanden en haar sabbatten niet waarnemen, zoals zij in haar eigen land placht te doen onder de profetenscholen, Hoofdstuk 4:23.
2. Bij haar terugkeer vond zij zich buiten haar eigen bezitting gesloten, daar zij of aan de schatkist was verbeurd verklaard, en door de koning aan iemand was toegewezen, of misschien was de persoon, aan wie zij het beheer er over had toevertrouwd, ontrouw gebleken, zodat hij de bezitting niet weer aan haar wilde afstaan, of haar rekenschap wilde geven van het beheer, geen afrekening wilde houden van de winsten, zo moeilijk is het iemand te vinden, op wie men ten dage van de benauwdheid vertrouwen kan, Spreuken 25:19, Micha 7:5.
3. Om herstel van haar gerief te verkrijgen wendde zij zich tot de koning zelf, die-zij het opgemerkt tot zijn lof-gemakkelijk tot zich liet naderen en zelf kennis nam van de klachten van zijn benadeelde onderdanen. Er was een tijd, dat zij zo veilig en gerust onder haar volk woonde, dat zij het niet nodig had dat er voor haar tot de koning of tot de krijgsoverste gesproken werd, Hoofdstuk 4:13, maar nu bleken haar eigen, goede vrienden, op wie zij vertrouwd had, zo onrechtvaardig en onvriendelijk, dat zij blij was om zich tegen hen op de koning te beroepen. Zulk een onvastheid en onzekerheid is er in het schepsel dat hetgeen, waarop wij het meest vertrouwden, ons faalt, en datgene ons te hulp komt, dat wij dachten nooit nodig te hebben.
4. Zij vond de koning in gesprek met Gehazi over Elisa's wonderen, vers 4. Het was een schande voor hem dat hij nu nog nodig had er over ingelicht te worden, daar hij er door Elisa zelf mee bekend had kunnen worden, indien hij zijn ogen niet had willen sluiten voor het overtuigend bewijs van zijn zending, maar het was tot zijn lof, dat hij nu in een betere gezindheid was, en nog liever met een melaatse wilde spreken, die instaat was er hem een goed bericht van te geven, dan er nog langer onbekend mee te blijven. De wet verbood niet alle omgang met melaatsen, maar alleen samenwoning met hen. Daar er in Israël geen priesters waren, had misschien de koning of iemand, die door hem daartoe was aangesteld, het toezicht op of het onderzoek van de melaatsen, om een oordeel over hen te spreken, en was hij zodoende met Gehazi bekend geworden.
5. Deze gelukkige ontmoeting begunstigde zowel Gehazi's verhaal, als haar verzoek. Gods voorzienigheid moet erkend worden in de schikking van de omstandigheden van de gebeurtenissen want soms blijken zij, die op zichzelf van generlei gewicht of betekenis zijn, van het uiterste belang te wezen in de gevolgen, zoals ook hier, want:
1. Het maakte, dat de koning geloof sloeg aan Gehazi's verhaal, toen het aldus bevestigd werd door de personen die er zo van nabij in waren betrokken. "Dit is de vrouw, en dit is haar zoon, zij kunnen zelf getuigenis afleggen van het wonder, dat aan hen geschied is," vers 5. Zo heeft God hem genoodzaakt te geloven, wat hij in twijfel had kunnen trekken, indien hij alleen Gehazi's woord er voor had gehad, omdat die als leugenaar gebrandmerkt was, getuige zijn melaatsheid.
2. Het maakte hem gewillig haar verzoek toe te staan, want, wie zou niet bereid zijn gunst te bewijzen aan een vrouw, die aldus door de hemel werd begunstigd, en een leven te onderhouden, dat eens en nogmaals door een wonder was gegeven? Als gevolg hiervan gaf de koning bevel, dat haar akkers haar teruggegeven zullen worden, met al de winst, die er in haar afwezigheid van verkregen was. Indien het land aan hemzelf was toegevallen met het gewin er van, dan was het vriendelijk en edelmoedig van hem om het ten volle te restitueren, hij wilde niet, (zoals Farao gedaan heeft in Jozefs tijd) de kroon verrijken door de rampen van zijn onderdanen. Indien iemand anders zich haar bezitting wederrechtelijk had toegeëigend, dan was het een daad van gerechtigheid van de koning en behoorde het tot de plichten van zijn ambt, om haar recht te doen, Psalm 82:3, 4, Spreuken 31:9. Het is niet genoeg dat zij, die met gezag en macht bekleed zijn, zelf geen kwaad doen, zij moeten ook het recht handhaven van hen, aan wie onrecht gedaan is.