2 Koningen 3:6-19
Niet zodra voert Joram de scepter of hij grijpt naar het zwaard, om Moab tenonder te brengen. Kronen brengen zodanige zorgen en gevaren aan de hoofden, die ze dragen, niet zodra zijn zij in eer of zij zijn ook in oorlog. Nu hebben wij hier:
I. Hoe deze veldtocht beraamd werd tussen Joram, koning van Israël, en Josafat, koning van Juda. Joram bracht een leger op de been, vers 6, en zo'n hoge dunk had hij van de Godvruchtige koning van Juda, dat:
1. Hij hem aanzocht om zijn bondgenoot te zijn: Zult gij met mij trekken in de oorlog tegen de Moabieten? En hij won hem. Josafat zei: ik zal opkomen, zo zal ik zijn gelijk gij zijt, vers 7. Juda en Israël, hoewel ongelukkig van elkaar gescheiden, kunnen zich toch verenigen tegen Moab, de gemeenschappelijke vijand. Josafat verwijt hun hun afval niet van het huis van David, stelt ook niet tot voorwaarde van hun verbond dat zij zouden terugkeren tot hun trouw, hoewel hij goede redenen had om daar op aan te dringen, maar handelt met Israël als met een gelijkwaardig koninkrijk. Diegenen bevorderen hun eigen vrede en kracht niet, die het nooit van zich kunnen verkrijgen om een vroeger aangedaan onrecht te vergeven en te vergeten, en zich nooit kunnen verbinden en verenigen met hen, die vroeger inbreuk hebben gemaakt op hun rechten. "Quod initio non valuit, tractu temporis invalescit-Hetgeen oorspronkelijk geen recht had, zal na verloop van tijd kracht van recht verkrijgen."
2. Hij ging met hem te rade als zijn vertrouweling, vers 8. Hij won de raad in van Josafat, die meer wijsheid en ervaring had dan hij, langs welke weg zij die inval in het land van Moab zouden doen, en deze adviseerde om niet langs de kortste weg op te trekken, maar langs een omweg door de woestijn van Edom ten einde de koning van Edom, (die hem schatplichtig was) met zijn krijgsmacht mee te nemen, indien twee beter zijn dan een, zoveel zekerder is het, dat een drievoudig snoer niet haast verbroken wordt. Aan Josafat is het bijna duur te staan gekomen, dat hij zich met Achab had verenigd, toch verenigt hij zich nu met zijn zoon, en ook deze veldtocht is hem bijna noodlottig geworden. Men wint er niets mee als men een ander juk aantrekt met de ongelovigen.
II. De grote verlegenheid, waarin het leger van de verbondenen geraakte op deze tocht. Eer zij nog een vijand zagen, waren zij allen in gevaar van om te komen vanwege gebrek aan water, vers 9. Hieraan hadden zij moeten denken, eer zij die tocht door de woestijn ondernamen, het was dezelfde woestijn (of er zeer nabij gelegen) waar hun voorouders gebrek aan water hebben gehad, Numeri 20:2. God laat het toe dat Zijn volk zich door hun eigen gebrek aan voorzorg in moeilijkheden brengen opdat de wijsheid, macht en goedheid van Zijn voorzienigheid verheerlijkt zullen worden in hun uitredding. Wat is goedkoper en meer algemeen te verkrijgen dan water? Het "drenkt al het gedierte van het veld," Psalm 104:11 toch zal het gebrek er aan koningen en heirlegers spoedig vernederen en verderven. De koning van Israël is zeer neerslachtig en treurt over de benauwdheid, waarin zij verkeren, en het gevaar dat hen dreigt om in de handen te vallen van hun vijanden, de Moabieten, voor wie zij, nu zij verzwakt zijn door dorst, een gemakkelijke prooi zullen wezen, vers 10. Hij was het, die deze drie koningen samengeroepen heeft, toch legt hij het Gods voorzienigheid ten laste, en merkt het aan als een onvriendelijkheid, de Heere heeft hen geroepen. "Zo zal de dwaasheid van de mensen zijn weg verkeren, en dan gaat zijn hart zich tegen de Heere vergrammen," Spreuken 19:3. III. Josafats goede voorstel om in deze nood God om raad te vragen, vers 11. De plaats, waar zij zich nu bevonden, moest hem wel de wonderen doen gedenken, die hun vaders hun verteld hadden, de wateren, die uit de rots tevoorschijn werden gebracht om in Israëls nood te voorzien. De herinnering hieraan heeft Josafat, naar wij kunnen veronderstellen, aangemoedigd om te vragen: Is hier geen profeet des Heeren gelijk als Mozes? Hij was te meer bezorgd, omdat het op zijn raad was, dat zij die omweg maakten door de woestijn, vers 8. Het was goed dat Josafat thans de Heere vroeg maar het zou veel beter geweest zijn als hij het eerder gedaan had, voor hij zich in deze oorlog begaf en zijn maatregelen nam, dan zou die benauwdheid voorkomen zijn. Godvruchtige mensen zijn wel eens nalatig en vergeetachtig, en verzuimen hun plicht, totdat zij door de noodzakelijkheid er toe gedreven worden.
IV. Elisa aanbevolen als de geschikte persoon om geraadpleegd te worden, vers 11. En hier kunnen wij ons er over verwonderen:
1. Dat Elisa het leger gevolgd is, inzonderheid op zo'n verdrietige tocht, vrijwillig, ongevraagd, onopgemerkt, en volstrekt niet op een post van eer, niet in het ambt van priester om het krijgsvolk toe te spreken, Deuteronomium 20:2, of als voorzitter van de krijgsraad, maar geheel onbekend, zodat geen van de koningen wist dat zij zo'n juweel in hun leger hadden, zo goede vriend in hun gevolg. Wij kunnen veronderstellen dat het door een bijzondere leiding van God was, dat Elisa mee ten strijde optrok, als de wagens van Israël en zijn ruiters. Aldus komt God Zijn volk voor met zegeningen van het goede, en voorziet Hij Zijn orakelen voor hen, die er zichzelf niet van voorzien. Het zou dikwijls slecht met ons gesteld zijn, indien God niet beter voor ons zorgde, beide voor ziel en lichaam, dan wij voor onszelf zorgen.
2. Dat een dienaar van de koning van Israël wist dat hij daar was, terwijl de koning zelf het niet wist. Waarschijnlijk was het zo'n dienaar als Obadja voor zijn vader geweest is, één die de Heere vreesde, aan zo iemand maakte Elisa zich bekend, niet aan koningen. Het bericht dat hij van hem geeft is, dat hij water op Elia's handen goot, dat wil zeggen: hij was zijn dienaar en heeft hem inzonderheid gediend als hij zijn handen wies. Wie groot wil zijn, lere te dienen, die zich hoog wil verheffen, beginne nederig te zijn.
V. De koningen wendden zich toen tot Elisa zij gingen tot hem naar zijn verblijfplaats, vers 12. Josafat had zo'n achting voor een profeet des Heeren, bij wie des Heeren woord was, dat hij zich verwaardigde om in eigen persoon tot hem te gaan, veeleer dan hem te doen ontbieden. De andere twee waren door de benauwdheid waarin zij verkeerden, bewogen de profeet buitengewone beleefdheid te betonen. Hij, die zich had vernederd, werd aldus verhoogd en had een groot aanzien, toen drie koningen aan zijn deur klopten, en om zijn hulp verzochten. Zie Openbaring 3:9.
Vl. Hoe Elisa hen ontving.
1. Hij was zeer rond en open met de goddeloze koning van Israël, vers 13. "Wat heb ik met u te doen? Hoe kunt gij een antwoord van vrede van mij verwachten? Ga heen tot de profeten van uw vader en tot de profeten van uw moeder, die gij in uw voorspoed gesteund en gehandhaafd hebt, laat die u nu helpen in uw benauwdheid." Elisa was niet, zoals Josafat, misleid door zijn gedeeltelijke en geveinsde reformatie, hij wist dat hij wel het beeld van Baäl had weggedaan, maar dat Baäls profeten hem nog dierbaar waren, en misschien waren sommigen van hen nu in zijn leger. "Ga, zei hij, ga tot hen. Ga tot de goden, die gij verkoren hebt," Richteren 10:14. De wereld en het vlees hebben over u geheerst, laat die u nu helpen, waarom zou God dan van u gevraagd worden? Ezechiël 14:3. In heilige verontwaardiging over zijn goddeloosheid zegt Elisa hem in het aangezicht dat hij het nauwelijks van zich kan verkrijgen hem te aanschouwen, hem aan te zien, vers 14. Als vorst moet Joram geëerd worden maar als goddeloos man is hij een verworpene een verachte, Psalm 15:4.. Elisa zal als onderdaan hem eren, maar als profeet zal hij hem zijn ongerechtigheid bekendmaken. Voor hen, die zo'n buitengewone opdracht hadden, was het betamelijk hoewel niet voor een gewoon persoon) om tot een koning te zeggen: "Gij goddeloze," Job 34:18. Joram had zelfbeheersing genoeg om dit geduldig aan te horen, hij is er nu niet op gesteld de profeten van Baäl te horen, maar hij is een nederig smekeling bij de God van Israël en Zijn profeet, hij stelt hun toestand voor als uiterst beklagenswaardig, en beveelt hen nederig aan het medelijden van de profeet. Hij erkent zich als onwaardig, maar laat toch om zijnentwil het verderf niet over de andere koningen komen.
2. Elisa toonde grote eerbied voor de Godvruchtige koning van Juda, nam zijn aangezicht op, en wilde om zijnentwil de Heere voor hen allen vragen. Het is goed om met hen te zijn, over wie Gods gunst is en die de liefde hebben van Zijn profeet. Het gaat er goddelozen te beter om, dat zij vriendschappelijke omgang hebben met Godvruchtigen.
3. Hij zette er zich toe om instructies van God te ontvangen. Zijn geest was enigszins ontroerd op het zien van Joram, hoewel hij niet in zondige drift was geraakt, noch onbedachtzaam had gesproken, maar zijn ijver maakte hem voor het ogenblik ongeschikt tot bidden en voor de werkingen van de Geest, waartoe een kalm, bezadigd gemoed vereist wordt. Daarom vroeg hij om een speelman, vers 15, een Godvruchtig beoefenaar van de muziek, gewoon om op de harp te spelen en er psalmen bij te zingen. Gods lof lieflijk te horen zingen zoals het door David voorgeschreven was, zal zijn hart vervrolijken en bemoedigen, zijn geest kalmeren, en er toe bijdragen om hem in de rechte gemoedsstemming te brengen, zowel om tot God te spreken als van Hem te hoven. Wij vinden een gezelschap van profeten, profeterende "met luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen voor hun aangezicht," 1 Samuël 10:5. Zij die gemeenschap met God willen oefenen, moeten hun gemoed kalm en rustig houden. Elisa verkwikt zijnde, en het tumult in zijn gemoed door deze Goddelijke muziek tot bedaren gebracht zijnde, kwam de hand des Heeren op hem, en Zijn bezoek heeft meer geëerd dan dat van de drie koningen.
4. God gaf hun door hem de verzekering, dat zij op lieflijke, heerlijke wijze uit hun benauwdheid verlost zullen worden
A. Zij zullen spoedig van water worden voorzien, vers 16, 17. Om hun geloof en gehoorzaamheid te beproeven, beveelt hij hun vele grachten in het dal te maken om het water te ontvangen. Zij, die Gods zegeningen verwachten, moeten er een plaats voor bereiden, graaf de poelen, om door de regen gevuld te worden, zoals zij in het dal Baca gedaan hebben, en aldus zelfs dat tot een fontein gesteld hebben, Psalm 84:7. Om hun verwondering nog hoger gaande te maken, zegt hij hun, dat zij water genoeg zullen hebben en dat er toch wind noch regen zijn zal. Elia heeft door het gebed water uit de wolken verkregen, maar Elisa verkrijgt het, niemand weet vanwaar. De bron van deze wateren zal een geheim zijn, zoals de bronnen van de Nijl. God is aan geen tweede of ondergeschikte oorzaken gebonden. Gewoonlijk is het door een overvloedige regen, dat God Zijn erfenis sterkt, Psalm 68:10, maar hier geschiedt het zonder regen, tenminste zonder regen aan die plaats. Waarschijnlijk zijn bij deze gelegenheid sommige fonteinen van de grote afgrond opengebroken, en, om het wonder nog te verhogen, werd alleen dat dal, naar het schijnt, met water gevuld, en heeft geen andere plaats erin gedeeld.
B. Die voorziening van water zal een onderpand zijn van de overwinning, vers 18. "Daartoe is dat gering in de ogen des Heren, gij zult niet slechts behoed worden voor omkomen maar in triomf wederkeren." Gelijk God vrijelijk geeft aan de onwaardigen, zo geeft Hij ook rijkelijk, boven wat wij kunnen bidden of denken. Zijn schenkingen overtreffen onze gebeden en onze verwachtingen. Zij, die in oprechtheid de dauw zoeken van Gods genade, zullen hem ontvangen, en er meer dan overwinnaars door worden gemaakt. Hun wordt beloofd, dat zij meesters zullen zijn van het rebellerende land, en hun wordt toegestaan het te verwoesten, vers 19. De wet verbood hun vruchtbomen te vellen ten gebruike bij hun belegeringen Deuteronomium 20:19, maar niet, wanneer het bedoeld was in gerechtigheid om een land uit te hongeren dat zijn vruchten verbeurd heeft, door schatting te onthouden aan wie het schatting schuldig is.