2 Koningen 25:22-30
In deze verzen hebben wij:
I. De verstrooiing van het overblijvende volk. De stad Jeruzalem was geheel verwoest. In het land van Juda waren nog enige overgebleven vers 22, die de storm hadden doorstaan, en aan wie geen klein voorrecht in die tijd hun ziel, dat is hun leven, hun tot een buit was gegeven. Zie nu:
1. In welk een goede positie zij gebracht werden. De koning van Babel benoemde Gedalia, een uit hen, tot overste of gouverneur, en onder hem, tot hun beschermer. Hij was een zeer goed man. Zijn vader, Ahikam, had Jeremia gesteund en beschermd, toen de vorsten zijn dood hadden gezworen, Jeremia 26:24. Het is waarschijnlijk dat deze Gedalia op raad van Jeremia tot de Chaldeën was overgegaan en zich zo goed had gedragen dat de koning van Babel hem het gouverneurschap opdroeg. Hij woonde niet te Jeruzalem, maar te Mizpa in het land van Benjamin, een plaats, die in Samuëls tijd vermaard was. Daarheen kwamen zij, die van Zedekia gevloden waren, vers 4, en stelden zich onder zijn bescherming, vers 23 die hij hun toezegde, indien zij zich geduldig en vreedzaam onder de regering van de koning van Babel hielden, vers 24. Hoewel Gedalia de pracht en macht niet had van een regerend vorst, zou hij toch een groter zegen voor hen geweest kunnen zijn dan velen van hun koningen geweest waren inzonderheid daar hij Jeremia tot raadsman had die zich nu onder hen bevond, en groot belang stelde in hun zaken, Jeremia 40:5, 6.
2. Welk een noodlottige slag hun spoedig daarna werd toegebracht door de dood van Gedalia, twee maanden nadat hij het gouverneurschap op zich had genomen. De algehele uitroeiing van de Joden uit het land voor het tegenwoordige was vastgesteld, en daarom is het ijdel voor hen om er aan te denken om er weer wortel te schieten het gehele land moet uitgeplukt worden, Jeremia 45:4, en toch zijn het niet de Chaldeën, die deze hoopvolle moedgevende vestiging vernietigden, maar sommigen van henzelf, hetgeen tot hun vrede diende was verborgen voor hun ogen, zodat zij niet wisten wanneer zij het goed hadden, en het niet geloofden als het hun gezegd werd.
A. Zij hadden een goeden landvoogd uit hun eigen volk, en uit wrok tegen de Chaldeën doodden zij hem, omdat hij door Nebukadnezer was aangesteld, vers 25.
Ismaël, die tot de koninklijke familie behoorde, was wangunstig op zijn bevordering en de gelukkige vestiging des volks onder hem, en besloot hem ten verderve te brengen, laaghartig vermoordde hij hem en al zijn vrienden, Joden zowel als Chaldeën. Nebukadnezar zou geen boosaardiger vijand van hun vrede hebben kunnen of willen wezen dan deze ontaarde loot van het huis van David er van geweest is.
B. Zij waren nog in hun eigen goed land, maar zij verlieten het en gingen naar Egypte uit vrees voor de Chaldeën, vers 25. De Chaldeën hadden reden genoeg om beledigd te zijn wegens de moord op Gedalia, maar indien zij, die bleven, nederig betuigd en aangetoond hadden dat de daad alleen voor rekening kwam van Ismaël en zijn partij, dan kunnen wij onderstellen dat zij, die er onschuldig aan waren, ja er grotelijks door leden, er niet voor gestraft zouden zijn, maar onder voorwendsel van deze vrees gingen zij allen, tegen de raad van Jeremia, naar Egypte, waar zij zich waarschijnlijk langzamerhand met de Egyptenaren vermengden, zodat er nooit meer van hen als Israëlieten gehoord werd. Zo werd er door hun eigen dwaasheid en ongehoorzaamheid een voleinding met hen gemaakt, opdat, na al het overige, ook het laatste vers van dat hoofdstuk van de bedreigingen in vervulling zou gaan: "De Heere zal u naar Egypte doen wederkeren" Deuter. 28:68. Deze gebeurtenissen zijn uitvoeriger verhaald door de profeet Jeremia, Hoofdstuk 40-45. "Quaeque ipse miserrima vidit, et quorum pars magna fuit" (Welke tonelen hij gedoemd was te aanschouwen, en waaraan hij een treurig aandeel nam).
II. De herleving van de gevangen vorst. Van Zedekia horen wij niet meer nadat hij blind naar Babel was gevoerd. Het is waarschijnlijk dat hij niet lang meer heeft geleefd, maar dat hij, toen hij stierf, met enig eerbetoon werd begraven, Jeremia 34:5. Van Jojachin, of Jechonia, die zich vrijwillig had onderworpen Hoofdstuk 24:12, wordt ons hier gezegd dat zodra Evilmerodach, na de dood zijns vaders Nebukadnezar, de troon besteeg, hij hem bevrijdde uit de gevangenis, waarin hij zeven en dertig jaren had doorgebracht-hij was nu vijf en vijftig jaren oud-en vriendelijk tot hem sprak, hem meer eerbied bewees dan aan een van de andere koningen, die zijn vader in gevangenschap had gevoerd, vers 28, hem vorstelijke klederen gaf inplaats van zijn gevangenisklederen, hem onderhield in zijn eigen paleis, vers 29, en hem een jaarwedde toestond voor hem en zijn gezin, die enigermate overeenkwam met zijn rang, elk dagelijks bestemd deel op zijn dag, al de dagen zijns levens. Beschouw dit:
1. Als een zeer gelukkige verandering in Jojachins toestand, eer en vrijheid te hebben, na zo langen tijd in gevangenschap en smaad te hebben doorgebracht, de overvloed en de genoegens van een hof te smaken, na zolang aan het enge en de ellende van een gevangenis gewoon te zijn geweest, was als het wederkeren van de morgen na een zeer donkeren vervelenden nacht. Laat niemand zeggen dat hij nooit meer het goede zal aanschouwen, omdat hij sedert lang weinig meer dan kwaad gezien heeft, de ongelukkigsten weten niet welk een gelukkige, gezegende wending door Gods voorzienigheid in hun zaken kan komen noch welke vertroostingen er nog voor hen zijn weggelegd, naar de jaren in dewelke zij het kwaad gezien hebben, Psalm 90:15.
De dood van beproefde heiligen zal voor hen zo'n verandering wezen als deze voor Jojachin was, hij zal hen verlossen uit hun gevangenis, het lichaam, die gevangeniskledij, van hen afwerpen, en de weg banen tot hun verhoging, hen naar de troon, naar de tafel zenden van de Koning van de koningen in de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods.
2. Als een zeer edelmoedige daad van Evilmerodach. Hij dacht dat zijn vader het juk van zijn gevangenen te zwaar had gemaakt, en daarom heeft hij het met de teerhartigheid van een man en de eer van een vorst lichter gemaakt.
Al de koningen, die hij in zijn macht had, schijnen bevoorrecht te zijn, maar Jojachin boven die allen, sommigen denken dat het was om de oudheid van zijn geslacht en de eer van zijn beroemde voorvaderen, David en Salomo, waarschijnlijk kon geen van de koningen van de volken er op bogen af te stammen van een zo lange reeks van koningen ineen rechte lijn van opvolging en dat wel uitsluitend in de mannelijke linie, als de koningen van Juda.
De Joden zeggen dat deze Evilmerodach zelf gevangen was gezet door zijn eigen vader, nadat deze uit zijn krankzinnigheid was hersteld, wegens de een of andere verkeerdheid, waaraan hij zich in die tijd had schuldig gemaakt, en dat hij in de gevangenis vriendschap had gesloten met Jojachin, tengevolge waarvan hij hem, zodra hij er de macht toe had, deze vriendelijkheid heeft beloond. Sommigen opperen de mening dat Evilmerodach van Daniël en zijn metgezellen de beginselen van de ware Godsdienst heeft geleerd en hun wèl genegen was, en dat hij dieswege gunst heeft bewezen aan Jojachin.
3. Als een vriendelijke beschikking van Gods voorzienigheid ter bemoediging van de Joden in hun gevangenschap en ter ondersteuning van hun geloof en hun hoop op bevrijding ter bestemder tijd.
Dit viel voor juist omstreeks de middernacht van hun gevangenschap, zes en dertig van de zeventig jaren waren nu voorbijgegaan, en bijna evenveel jaren waren nog voor hen, en thans hun koning aldus bevorderd te zien moet hun een troostrijk onderpand zijn geweest van hun eigen verlossing ter bestemder tijd.
Aldus gaat de oprechten het licht op in de duisternis, ten einde hen aan te moedigen om te hopen zelfs in een wolkigen donkeren dag, dat ten tijde des avonds het licht zal wezen. Zo laat ons dan als wij in verwarring en verlegenheid zijn niet wanhopen.