13. U groet de kinderen van uw zuster, de uitverkorene (verg.
Romeinen 16:13). Amen. De schrijver wil, wat hij verder te zeggen heeft, later mondeling zeggen. Zijn brief moet alleen tegenover het aanwezig gevaar een dam opwerpen, tevens zijn persoonlijke komst aankondigen en die voorbereiden. Uit de groet, die hij aan het slot van de zusterskinderen van de vrouw overbrengt, blijkt, dat hij aan deze heeft gezegd, dat en ook waarom hij aan deze schreef. Dan ligt in de herinnering aan deze bloedverwanten, van wie hij waarschijnlijk het bericht heeft ontvangen, hoe het in de familiekring stond, tevens een paraenetisch moment ook deze delen in de zorgen en beden van de briefschrijver.
Als men aanneemt, dat de brief uit Patmos door Johannes is geschreven, hoeft men niet, zoals de meeste uitleggers doen, te veronderstellen, dat de moeder van deze zusterskinderen reeds gestorven zou zijn, evenals de man van deze. De benaming "uw zuster, de uitverkorene" zegt integendeel duidelijk genoeg, dat deze zuster van de vrouw nog in leven was en dat zij met haar kinderen zonder die halfheid, die zich in de andere familiekring vertoonde, getrouw was aan de apostel en de leer van Christus. Misschien had zij zelf haar zonen tot Johannes gezonden, opdat die tussenbeide mocht komen, om het verderf van het huis van haar zuster af te wenden, of wat nog waarschijnlijker was, zij had haar zonen reeds toen als verzorgers en dienaars bij de apostel geplaatst, omdat hij in ballingschap moest gaan en nu had zij, door bemiddeling van deze, haar zorgen met de bede om tussenkomst aan derden bekend gemaakt. Wij maken die gevolgtrekking uit de opmerkelijke bijvoeging "de uitverkorene", die aan het einde bijgevoegd, bijzondere nadruk heeft, terwijl het boven (vs 1) zonder die bijzondere nadruk eenvoudig heet "de uitverkoren vrouw. "