1 Samuël 8:1-3
Twee treurige dingen vinden wij hier, maar het zijn geen vreemde dingen.
1. Een Godvruchtig en nuttig man oud wordende en ongeschikt voor de dienst, vers 1. Samuël was oud geworden, en kon Israël niet meer richten zoals hij placht. Hij wordt geacht nu niet ouder te zijn geweest dan zestig jaren, misschien was hij nog niet eens zo oud, maar hij is spoedig een man geweest, hij was vol van gedachten en van zorgen toen hij nog een kind was, wat wellicht de zwakheden en gebreken van de ouderdom bij hem heeft verhaast, de vruchten die het eerst rijp zijn, kunnen het minst lang goed gehouden worden. Hij had zijn kracht en zijn verstand gebruikt en verteerd in de vermoeienis van de openbare dienst, en als hij nu denkt zich uit te schudden als op andere keren, bemerkt hij dat hij zich vergist, de ouderdom heeft zijn haar afgesneden. Zij, die in de bloei hunner jaren zijn, behoren ijverig bezig te zijn in het levenswerk want als zij vorderen in jaren, zullen zij er zich minder geneigd en geschikt toe bevinden, en minder instaat om het te doen.
2. De kinderen van een Godvruchtig man, die ten verderve gaan, niet wandelen in de voetstappen huns vaders. Samuël had zijn zonen een goede opvoeding gegeven, en zij hadden hem zo goede hoop gegeven van zich wèl te gedragen, en hadden zich zo'n goeden naam in Israël verworven, dat hij hen tot rechters aanstelde, voor een tijd als zijn helpers, en later als zijn plaatsvervangers onder hem te Ber-Seba, dat ver van Rama lag, vers 2. Waarschijnlijk hebben de zuidelijke landstreken verzocht dat zij daar hun verblijf zouden vestigen, opdat zij voor hun rechtszaken niet ver zouden behoeven te reizen. Wij hebben reden te denken dat Samuël hun hun aanstelling gaf, niet omdat zij zijn zonen waren (hij had evenmin als Gideon de eerzucht om de regering erfelijk te maken in zijn geslacht) maar omdat zij, voorzoveel bleek, mannen waren, geschikt voor dit ambt, en als zijn eigen zonen, die om de wille van hun vrome vader achting genoten bij het volk, beter dan iemand instaat waren de last van de bejaarde richter te verlichten, en daar zij nu reeds bij het begin zo'n gunstige positie innamen, zouden zij ook spoedig groot zijn geworden, indien zij slechts goed waren geweest. Maar helaas, zijn zonen wandelden niet in zijn wegen, vers 3, en toen hun karakter en gedrag het tegenovergestelde bleken van het zijne, was hun betrekking tot zo goed een man, die hun anders tot eer zou zijn geweest nu in werkelijkheid hun schande.
"Degeneranti genus opprobrium-een goede afkomst is een smaad voor hem, die er van ontaard is". Zij, die zelf de meeste genade hebben, kunnen geen genade geven aan hun kinderen. Het is dikwijls het verdriet geweest van Godvruchtige mensen, om te zien dat hun nakomelingen inplaats van in hun voetstappen te treden, die vertreden, en, gelijk Job zegt, "hun paden afbreken". Ja, velen die goed begonnen zijn, goede hoop van zich gaven, en de rechten weg opgingen, zodat hun ouders en vrienden zich in hen hebben verblijd, zijn later afgedwaald op bijwegen, en het verdriet geworden van hen, voor wie zij de blijdschap hadden moeten wezen.
Toen Samuëls zonen tot rechters waren aangesteld, en ver van hem gevestigd waren, toen hebben zij zich in hun ware gedaante getoond. Zo zijn velen, die goed opgevoed waren, zich goed hebben gedragen zolang zij onder het oog waren van hun ouders, gebleken slecht te zijn toen zij de wereld ingingen en zelfstandig werden.
Laat dan niemand zeker zijn, noch van zichzelf, noch van de zijnen maar steunen op Gods genade. Velen, die zich goed hebben gedragen in een staat van geringheid, zijn bedorven door bevordering en verhoging en macht.
Ere-ambten veranderen van de mensen karakter en gezindheid, en maar al te dikwijls ten kwade.
Het blijkt niet dat Samuëls zonen zo goddeloos en slecht waren als de zonen van Eli, maar wat zij ook in andere opzichten geweest zijn, als rechters waren zij verdorven, zij neigden zich tot de gierigheid, naar de mammon van de ongerechtigheid, zoals de lezing is van de Chaldeër.
Geldgierigheid is de wortel van alle kwaad, zij is verderfelijk in iedereen, maar inzonderheid in rechters. Samuël heeft geen geschenken aangenomen, Hoofdstuk 12:3, maar zijn zonen namen ze wel aan, hoewel hij er hen ongetwijfeld tegen gewaarschuwd heeft, toen hij hen tot rechters heeft aangesteld. En toen hebben zij het recht gebogen, als zij geschillen moesten beslechten hadden zij het oog, niet op de wet, maar op het geschenk, vroegen zij wie het hoogste bod deed, niet wie het recht aan zijn zijde had. Het is droevig als de openbare gerechtigheid, die recht behoort te doen, verdorven zijnde, het grootste onrecht doet.