1 Samuël 6:19-21
1. Hier is de zonde van de lieden van Beth-semes, zij hadden in de ark des HEEREN gezien vers 19. Iedere Israëliet had grote dingen van de ark gehoord, waardoor hij met diepere eerbied er voor was vervuld, maar hun was gezegd dat zij binnen een voorhang was geplaatst en dat zelfs de hogepriester haar slechts eenmaal in het jaar mocht zien, en dan nog slechts door een wolk van wierook.
Dit heeft misschien velen doen zeggen, (daar wij geneigd zijn het verbodene te begeren) dat zij er zeer veel voor zouden geven om haar te zien. Wij kunnen veronderstellen dat sommige van deze lieden van Beth-Semes zich meer om die reden hebben verblijd haar te zien, vers 13,, dan vanwege het publiek belang.
Hiermee waren zij echter nog niet tevreden, zij konden haar nu zien, maar zij gingen verder zij namen er het deksel af, dat er waarschijnlijk op vastgenageld of geschroefd was, en zagen er in, ondervoorwendsel van te willen zien, of de Filistijnen er de twee stenen tafelen niet uitgenomen hadden, of haar op de een of andere wijze hadden beschadigd, maar in werkelijkheid, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, waardoor zij zich indrongen in dingen, die God goedvond voor hen verborgen te houden. Het is een grote belediging van God als de ijdele mens zich bemoeien wil met de verborgen dingen, die niet voor hem zijn, Deuteronomium 29:29, Coloss. 2:18.
Allen zijn wij in het verderf gestort door eerzucht naar verboden kennis. Hetgeen dit zien in de ark tot een grote zonde maakte, was dat het voortkwam uit een zeer laag denkbeeld van de ark. De gemeenzaamheid, die zij toen met haar hadden, heeft minachting teweeggebracht en oneerbiedigheid.
Misschien vertrouwden zij er op, dat zij priesters waren, maar de waardigheid van het ambt zal geen onachtzaam of oneerbiedig behandelen van heilige dingen verontschuldigen, maar wel de zonde er van verzwaren. Door hun voorbeeld hadden zij anderen moeten leren om zich bescheiden op een afstand te houden, en met heilig ontzag op de ark te zien.
Misschien hebben zij vertrouwd op hun vriendelijk ontvangen van de ark en de offeranden, die zij geofferd hadden om haar te verwelkomen, hiervoor, dachten zij, was de ark hun verplicht, en nu kon het hun voorzeker wel vergund worden zichzelf te belonen met de voldoening van er in te zien.
Niemand denke echter dat de dienst, die hij voor God doet, oneerbiedigheid jegens de dingen Gods kan rechtvaardigen. Of misschien hebben zij dit nu durven bestaan wegens de nederige, geringe omstandigheden, waarin de ark nu was, zij kwam zoëven pas uit de gevangenschap en was nog ongevestigd, zij stond daar op die kouden steen, en nu dachten zij, dat zij er wel wat gemeenzaam mee mochten zijn, waartoe zij laser noodt weer de gelegenheid zouden hebben.
Het is een belediging van God als wij gering denken over Zijn inzettingen vanwege de geringheid in de wijze waarop zij bediend worden. Hadden zij met een verstandig oog op de ark gezien, niet zuiver en alleen naar de uiterlijken schijn geoordeeld, zij zouden gedacht hebben, dat de ark nooit met groter luister heeft geschitterd dan nu. Zij had getriomfeerd over de Filistijnen, was uit haar gevangenis gekomen (zoals Christus uit het graf) door haar eigen macht, hadden zij dit in aanmerking genomen, zij zouden er nooit in gezien hebben, alsof het een gewone kist was.
2. Hun straf voor deze zonde. De Heere sloeg onder die lieden van Beth-Semes een groten slag.
Hoe ijvert God voor de eer van Zijn ark! Hij wil haar niet laten ontwijden, dwaalt niet, God laat zich niet bespotten. Zij, die Zijn goedheid niet willen vrezen, de tekenen van Zijn genade niet met eerbied willen gebruiken, zullen Zijn gerechtigheid gevoelen en wegzinken onder de tekenen van Zijn misnoegen. Zij, die gluren in hetgeen verboden is, al te dicht naderen tot het heilige vuur, zullen bevinden dat zij het doen op hun gevaar. Hij sloeg van het volk zeventig mannen en vijftig duizend mannen.
Dit bericht van het getal van de geslagenen is in het oorspronkelijke op zeer ongewone wijze uitgedrukt, hetgeen, behalve nog de onwaarschijnlijkheid, dat er zovelen schuldig waren en zovelen geslagen werden, vele geleerden doet twijfelen, of wij de zaak wel recht opvatten.
In het oorspronkelijke is het: Hij sloeg in (of onder) het volk zeventig mannen, vijftig duizend mannen. In het Syrisch en Arabisch vinden wij de lezing vijf duizend en zeventig mannen. De Chaldeër geeft de lezing: Zeventig mannen van de oudsten, en vijftig duizend van het gewone volk. Zeventig mannen, die vijftig duizend waard waren, omdat zij priesters waren, zo wordt het door sommigen opgevat.
Sommigen denken dat de zeventig mannen de mannen waren van Beth-Semes, die geslagen waren, omdat zij in de ark hadden gezien, en de vijftig duizend die waren, door de ark geslagen in het land van de Filistijnen. Hij sloeg zeventig mannen, dat is: vijftig uit duizend wat een was in twintig, een halve decimering, zo verstaan het anderen. De lezing van de Septuaginta is tamelijk gelijk aan de onze. Hij sloeg zeventig mannen en vijftig duizend mannen. Josephus zegt dat slechts zeventig geslagen werden.
3. De verschrikking, die over de lieden van Beth-Semes kwam vanwege deze zware slag. Zij zeiden-en wèl mochten zij dit zeggen-Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht des HEEREN, dezes heiligen Gods? vers 20. Sommigen denken dat dit hun murmureren tegen God aanduidt, alsof Hij hard en onrechtvaardig met hen had gehandeld. Instede van te twisten met zichzelf en met hun zonde, twistten zij met God en Zijn oordelen, zoals David in een soortgelijk geval misnoegd was, 2 Samuël 6:8, 9. Ik geloof veeleer dat er hun ontzag en hun eerbiedige aanbidding van God mee te kennen wordt gegeven, als de Heere God als de heiligen Heere God, en als een God, voor wiens aangezicht niemand bestaan kan. Het ontzettend oordeel heeft hen tot die gevolgtrekking doen komen: "Wie kan bestaan voor de God van de ark?" Voor God te staan om Hem te aanbidden, is-geloofd zij Zijn naam-niet onmogelijk, in en door Christus worden wij hiertoe uitgenodigd, aangemoedigd en bekwaam gemaakt, maar voor God te staan om met Hem te twisten, daartoe zijn wij niet instaat. Wie kan staan voor de troon van Zijn onmiddellijke heerlijkheid en is instaat om erop te zien? 1 Timotheus 6:16. Wie kan beslaan voor de rechterstoel van Zijn onwrikbare gerechtigheid, Psalm 140:8, 143:2. Wie kan bestaan voor de arm van Zijn getergde macht, en er de slagen van weerstaan of dragen? Psalm 76:8. 4. Hun wens om van de ark bevrijd te worden. Tot wie van ons zal Hij optrekken? vroegen zij, vers 20. Zij hadden veeleer moeten vragen: "Hoe zullen wij met Hem verzoend worden, en Zijn gunst herwinnen?" Micha 6:6, 7. Maar zij beginnen de ark even moede te worden als de Filistijnen haar moede waren, terwijl zij, indien zij haar met juiste eerbied hadden behandeld, misschien voor altijd bij hen gevestigd zou zijn, en dan zouden zij om de wille van de ark gezegend zijn geworden.
Maar zo is het, dat de zondaren, wanneer het Woord Gods hun geweten verschrikt, inplaats van zichzelf te beschuldigen, en te beseffen dat hunner de beschaamdheid des aangezichts is, twisten met het Woord en het van zich weg doen, Jeremia 6:10.
Zij zonden boden naar de oudsten van Kirjath-Jearim, een versterkte stad, verder landwaarts in, met de bede dat zij zouden komen om de ark te halen, vers 21.
Zij durfden haar niet aanraken, om haar zelf derwaarts heen te brengen, maar bleven van verre, alsof zij iets gevaarlijks was. Zo gaan dwaze mensen van het een uiterste naar het andere, van vermetele stoutmoedigheid naar slaafse vrees.
Kirjath-Jearim, dat is: de stad van de bossen behoorde aan Juda, Jozua 15:9, 60, zij leg op de weg van Beth-Semes naar Silo, zodat zij, toen zij tot hen zonden om haar te halen misschien bedoelden, dat de oudsten van Silo haar dan van daar zouden halen. Maar God had er andere bedoelingen mede. Aldus werd zij van stad tot stad gezonden, en geen zorg werd door het publiek voor haar gedragen, een teken dat er geen koning is Israël was.