1 Samuël 5:6-12
De val van Dagon zou (indien het volk er een goed gebruik van had gemaakt, er door tot bekering was gekomen van hun afgoderij, en tot verootmoediging voor de God Israëls, ten einde Zijn aangezicht te zoeken) de wraak hebben kunnen voorkomen, die God hier aan hen oefent wegens de hoon, die zij Zijn ark hebben aangedaan, en hun hardnekkig aankleven aan hun afgod, in weerwil van de duidelijkste en krachtigste overtuiging, "Heere, is Uwe hand verhoogd, zij zien het niet, maar zij zullen het zien", Jesaja 26:11. En indien zij de heerlijkheid niet willen zien, dan zullen zij de zwaarte gevoelen van Gods hand, want die hebben de Filistijnen gevoeld: de hand des Heeren was zwaar over die van Asdod, vers 6, en Hij heeft hen niet slechts overtuigd van hun dwaasheid, maar hun onbeschaamdheid streng gekastijd.
1. Hij verwoestte hen, dat is: heeft velen plotseling doen sterven, het waren, naar wij kunnen onderstellen, degenen, die het meest gejuicht hadden in de gevangenschap van de ark. Dit wordt onderscheiden van de ziekte, waarmee anderen bezocht werden. Te Gath wordt het een zeer grote kwelling genoemd, vers 9, en in vers 11 een dodelijke kwelling. En in vers 12 wordt uitdrukkelijk gezegd dat zij, die met spenen geslagen werden, de mensen waren, die niet stierven door de andere verwoesting, welke waarschijnlijk de pest was. Zij roemden op de grote slachting, die hun zwaard onder de Israëlieten had aangericht. Hoofdstuk 4:10. Maar God doet hun weten dat, hoewel Hij niet goed vond Israëls zwaard tegen hen te trekken, (zij waren het niet waardig om door Hem gebruikt te worden) God toch een eigen zwaard had, waarmee Hij geen mindere slachting onder hen kon aanrichten, en dat, zo Hij het wet, "en Zijn hand ten gerichte grijpt, de wraak op Zijn tegenpartijen zal doen wederkeren, en Zijn hateren zal vergelden", Deuteronomium 32:41, 42. Zij, die strijden met God, met Zijn ark en met Zijn Israël, zullen er ten laatste onfeilbaar door ten verderve gaan. Als de overtuiging niet overwint, dan zal de verwoesting overwinnen.
2. Hen, die niet verwoest werden, sloeg Hij met spenen, vers 6,, in de verborgen plaatsen, zo zwaar, dat het geschrei van de stad opklom naar de hemel, dat is: van zeer ver gehoord kon worden, en misschien hebben zij in het uiterste van hun pijn en ellende niet tot Dagon, maar tot de God des hemels geroepen. Dit zware oordeel over de Filistijnen wordt door de psalmist aldus beschreven: "God sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste, Hij deed hun eeuwige smaadheid aan", Psalm 78:66. God dreigt met spenen onder de oordelen, die de vrucht zouden zijn van de vloek, Deuteronomium 28:27. Het was beide een pijnlijke en een smadelijke ziekte, een vuile ziekte voor vuile daden daarmee wilde God hun hoogmoed vernederen, hun smaadheid aandoen, zoals zij van de ark smaadheid hadden aangedaan. De ziekte was epidemisch, en onder hen misschien onbekend. Hij sloeg Asdod en zijn landpalen, dat is: het omliggende land. Wegens minachting van Gods inzettingen zijn "velen ziek, en velen slapen", 1 Corinthiers 11:30.
3. De mannen van Asdod werden er zich spoedig van bewust, dat het de hand des HEEREN, des Gods van Israël, was, vers 7. Aldus werden zij genoodzaakt Zijn macht en heerschappij te erkennen, en toch wilden zij Dagon niet verzaken, zich aan Hem niet onderwerpen, veeleer waren zij geneigd, nu Hij hun vlees en hun gebeente aanraakte, hen trof in hun gevoeligste plaatsen, Hem in het aangezicht te zegenen, dat is: te vloeken, en inplaats van zich met Hem te verzoenen en aanzoek te doen om de ark op betere voorwaarden onder hen te behouden, wensen zij haar kwijt te raken, zoals de Gadarenen, die toen zij hun zwijnen hadden verloren, begeerden dat "Christus van hen zou weggaan". Vleselijke mensen zullen als zij onder de oordelen Gods lijden, Hem liever-zo dit mogelijk ware-ver van hen weg doen, dan in verbond en gemeenschap met Hem komen en Hem tot hun vriend maken. Zo besluiten dan de mannen van Asdod, dat de ark des Gods van Israël niet bij hen zal blijven.
4. Er wordt besloten de plaats harer gevangenschap te veranderen. Er werd een grote raad bijeengeroepen, en de vraag werd aan al de vorsten gesteld: "Wat zullen wij doen met de ark?" Eindelijk kwamen zij overeen haar naar Gath te brengen, vers 8. Zij hadden de bijgelovigen waan, dat het aan de plaats lag, en dat de ark beter tevreden zou zijn in een ander verblijf, verder weg van Dagons tempel, in stede dus van haar naar haar eigen plaats terug te brengen, gelijk zij hadden behoren te doen, verzinnen zij om haar naar een andere plaats te voeren. Daartoe wordt Gath gekozen, een plaats, vermaard om een reuzengeslacht, dat er woonde, maar hun kracht en statuur zijn geen beschutting tegen spenen en pestilentie. God sloeg de lieden van deze stad van de kleine tot de grote, vers 9, dwergen zowel als reuzen, voor Gods oordelen allen gelijk, niemand zo groot dat hij er te groot voor is, niemand zo klein om er door over het hoofd gezien te worden.
5. Allen waren zij eindelijk de ark moede, en wilden er zeer gaarne van ontslagen zijn. Van Gath werd zij naar Ekron gezonden, en, daar zij op order van de raad kwam, konden de Ekronieten haar niet weigeren, maar zij waren zeer verbitterd tegen hun oversten, wijl zij hun zo noodlottig een geschenk zonden vers 10. Zij hebben de ark des Gods van Israël tot mij rondom gebracht, om mij en mijn volk te doden. In de ark waren de tafelen van de wet, en niets is aan getrouwe Israëlieten meer welkom dan het Woord Gods, hun is het een reuk des levens ten leven, maar aan onbesneden Filistijnen, die volharden in vijandschap tegen God, is niets meer schrikkelijk of onwelkom hun is het een reuk des doods ten dode. Terstond wordt een algemene vergadering belegd, om te beraadslagen over het terugzenden van de ark naar haar plaats, vers 11. Terwijl zij er over beraadslagen, houdt de hand Gods executie, en hun kunstgrepen om aan het oordeel te ontkomen, werken slechts mee om het te verspreiden, velen sterven onder hen, nog meerderen lijden door de ziekte van de speren, vers 12. Wat zullen zij doen? Hun juichtonen over de gevangenschap van de ark zijn spoedig verkeerd in weeklachten, en zij zijn nu even begerig om er zich van te ontdoen, als zij eerst geweest zijn om haar te nemen. God kan Jeruzalem gemakkelijk stellen tot een lastigen steen voor allen, die zich daarmee beladen, Zacheria 12:3. Die tegen God strijden, zullen er spoedig genoeg van hebben, en vroeg of laat zullen zij te weten komen, dat nooit iemand zijn hart tegen `Hem verhard heeft, en voorspoedig is geweest. De rijkdom, die verkregen is door bedrog en onrechtvaardigheid, inzonderheid door heiligschennis, dat is: door God te beroven, zal, hoewel gulzig verslonden en als een lieflijke bete gegeten, weer uitgespuwd worden, want eerder zal de zondaar geen rust in zijn buik kennen, Job 20:15-20.