1 Samuël 4:12-18
Hier wordt de tijding te Silo gebracht van de noodlottige afloop van de veldslag tegen de Filistijnen. Slechte tijdingen verspreiden zich snel. Deze verspreidde zich spoedig door heel Israël, iedere man, die naar zijn tent was gegaan, bracht haar mee, maar geen plaats had er zo groot belang bij als Silo, daarheen was dus terstond een expresse afgezonden. Het was een Benjaminiet, de Joden menen dat het Saul was. Zijn klederen waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd, door deze tekenen werd aan allen, die hem zagen als hij voorbijliep, de treurige tijding bekend gemaakt, alsmede de smart, die hij er om leed vers 12. Hij ging er regelrecht mee naar Silo, en hier wordt ons gezegd:
I. Hoe de stad die tijding ontving. Eli zat aan de zijde van de poort, vers 18, maar de bode wilde hem niet gaarne het eerst die tijding mededelen, en daarom ging hij hem voorbij, en bracht haar naar de stad met al de verzwarende omstandigheden er van, en nu was het dat aan allen, die haar hoorden, de beide oren klonken, gelijk voorzegd was, Hoofdstuk 3:11 hun hart sidderde, hun aangezicht was bleek en somber. De gehele stad schreeuwde, vers 13, en wèl mochten zij schreeuwen, want behalve nog dat dit een ramp was voor geheel Israël, was het ook een bijzonder verlies voor Silo, de ondergang dier plaats. Want hoewel de ark spoedig uit de hand van de Filistijnen verlost werd, is zij toch nooit weer te Silo gekomen, hun kandelaar werd van zijn plaats geweerd, omdat zij hun eerste liefde hadden verlaten, hun stad nam al meer en meer af in aanzien en ging eindelijk teniet. Nu verliet God de tabernakel te Silo, daar zij Hem er uit verdreven hadden, en de stam van Efraïm, die gedurende drie honderd en veertig jaren met de tegenwoordigheid van de ark gezegend was, verloor die eer, Psalm 78:60, 67, en enige tijd daarna werd zij overgebracht naar de stam van Juda, naar de berg Zion, die Hij liefhad, zoals daar volgt in vers 68, omdat de mannen van Silo de dag hunner bezoeking niet hebben bekend. Lang daarna wordt Jeruzalem aan dit verlaten van Silo herinnerd, om er zich door te laten waarschuwen, Jeremia 7:12. "Gaat nu heen naar Mijne plaats, die te Silo was, en ziet wat Ik daaraan gedaan heb". Laat van die dag die noodlottigen dag, de verwoesting van Silo gedateerd worden. Zij hadden dus reden genoeg om te schreeuwen, toen zij hoorden dat de ark was genomen.
II. Welk een noodlottige slag het was voor de bejaarden Eli. Laat ons zien:
1. Met welke vrees hij de tijding verwachtte. Hoewel hij oud, blind en zwaar was, kon hij toch niet zijn kamer houden, wetende dat Israëls eer in gevaar was, maar plaatste hij zich aan de zijde des wegs, om het eerste bericht te ontvangen, want zijn hart was sidderende vanwege de ark Gods, vers 13. Zijn zorg en kommer stelden hem voor: welk een oneer het zou wezen voor God, en welk een onherstelbaar verlies voor Israël, als de ark de Filistijnen in handen zou vallen, met welk een Godslasterlijk gejuich dit verteld zou worden te Gath en verkondigd in de straten van Askelon. Hij begreep ook in hoe onmiddellijk een gevaar de ark was, Israël had haar verbeurd (inzonderheid zijn eigen zonen) en de Filistijnen zullen het op haar gemunt hebben, en nu komt hem de bedreiging voor de geest, dat hij een vijand in Gods woning zou aanschouwen, Hoofdstuk 2:32, en misschien heeft zijn eigen hart hem verweten dat hij zijn gezag niet heeft gebruikt om te beletten, dat de ark naar het leger gebracht werd, dit alles deed hem sidderen. Aan alle Godvruchtige mensen gaan de belangen van Gods kerk meer ter harte dan hun eigen wereldlijke belangen, en zij kunnen niet anders dan er in zorg over zijn. Hoe kunnen wij rust hebben, als de ark in gevaar is? 2. Met welke smart hij de tijding ontving. Hij kon wel niet zien, maar hij hoorde de stem des geroeps en van de beroerte, en bemerkte dat het de stem was van droefheid, en rouwklage en geweer. Als een zorgzaam magistraat vraagt hij: Wat is de stem van deze beroerte? vers 14.. Men zegt hem dat er een expresse uit het leger is aangekomen, die zelf hem zeer duidelijk en omstandig de zaak verhaalt, waarvan hij zelf ooggetuige is geweest, vers 16, 17. Het bericht van de nederlaag van het leger en van het sneuvelen van een zeer "root aantal krijgslieden was hem, als richter, zeer smartelijk, de tijding van de dood van zijn twee zonen, voor wie hij zo toegevend was geweest, en die, naar hij reden had te vrezen, onboetvaardig gestorven zijn, trof hem, als vader, in een zeer gevoelige plaats, toch was het niet daarom, dat zijn hart sidderde, zijn gemoed wordt door een grotere zorg gedrukt, waardoor de kleinere als het ware verslonden worden. Hij onderbreekt het verhaal niet door hartstochtelijke weeklachten over zijn zonen, zoals David over Absalom maar wacht tot aan het einde van het verhaal, niet twijfelende of de bode, een Israëliet zijnde, zou, zonder dat men hem er naar vroeg, wel iets van de ark zeggen. En zo hij slechts had kunnen zeggen: "Maar de ark Gods is in veiligheid, wij brengen haar terug", dan zou zijn vreugde dieswege de overhand gehad hebben over zijn smart wegens al de andere rampen, en hem gerust hebben gesteld, maar als de bode zijn verhaal besluit met: de ark Gods is genomen, wordt hij in het hart getroffen, zijn moed begeeft hem, en in onmacht valt hij van zijn zetel, en, deels tengevolge dier onmacht, deels tengevolge van de val, sterft hij, zonder een woord meer te hebben kunnen spreken. Eerst brak zijn hart, en toen brak zijn nek. Aldus viel de hogepriester en richter Israëls, aldus viel zijn zwaar hoofd, nadat hij op twee jaar na honderd jaar had geleefd, aldus viel hem de kroon van het hoofd, nadat hij Israël omstreeks veertig jaren had gericht, aldus ging zijn zon onder achter een wolk, aldus waren de dwaasheid en de goddeloosheid van deze zijn zonen, voor wie hij zo toegeeflijk was geweest, ten laatste zijn verderf. Aldus plaatst God soms in dit leven tekenen van Zijn misnoegen op Godvruchtige mensen, die zich misdragen hebben, opdat anderen het zullen horen en vrezen, en er zich door zullen laten waarschuwen. Een mens kan op ellendige wijze sterven, en toch de eeuwigen dood niet sterven, tot een ontijdig einde komen, terwijl toch zijn einde vrede is. Dr. Lightfoot zegt dat Eli de dood stierf van een niet gelosten ezel, waaraan de nek gebroken moest worden, Exodus 13:13. Hier moeten wij opmerken tot Eli's lof, dat het het verlies van de ark was, dat hem deed sterven, niet de dood van zijn zonen. Het was alsof hij zei: "Laat mij vallen met de ark", immers, welk Godvruchtig Israëliet kan getroost en welgemoed leven, als Gods inzettingen worden weggenomen? Als de ark weg is, vaarwel dan alles in deze wereld, ja het leven zelf.