1 Samuël 30:7-20
Salomo merkt op: "De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd", en "de goddeloze komt in zijn plaats", en dat "de rechtvaardige zevenmaal zal vallen en opstaan", zo was het met David.
Velen waren zijn tegenspoeden en benauwdheden, maar de Heere heeft hem uit die allen gered, inzonderheid uit de benauwdheid, waarvan wij hier het bericht hebben.
I. Hij vroeg de Heere zowel betreffende zijn plicht: Zal ik deze bende achternajagen? als betreffende de uitkomst: zal ik ze achterhalen? vers 8.
Het was een groot voorrecht en voordeel voor David, dat hij de hogepriester bij zich had en de borstlap des gerichts, die hij, als openbaar persoon, voor al zijn zaken mocht raadplegen, Numeri 27:21.
Wij kunnen niet denken dat hij Abjathar en de efod te Ziklag heeft achtergelaten, want dan zou hij, zowel als de efod, door de Amalekieten zijn weggevoerd, tenzij wij mogen onderstellen dat zij door een bijzondere leiding van Gods voorzienigheid verborgen zijn gebleven, ten einde gereed te zijn om door David bij zijn terugkomst te worden geraadpleegd.
Indien wij aannemen dat David zijn priester en efod bij zich had in het leger van de Filistijnen, dan was het voorzeker een groot verzuim van hem, dat hij er de Heere niet door gevraagd heeft betreffende zijn verbintenis met Achis.
Misschien schaamde hij zich in zoverre voor zijn Godsdienst uit te komen onder de onbesnedenen, maar nu begint hij te vrezen dat zijn benauwdheid over hem gekomen is, om hem te straffen voor dit verzuim, en daarom: het eerste wat hij nu doet is: om de efod te vragen.
Het zal wèl voor ons wezen, als wij dit goede uit onze beproeving ontvangen, dat wij erdoor herinnerd worden aan verzuimde plichten, maar inzonderheid als wij er door opgewekt worden om de Heere te vragen, zie 1 Kronieken 15:13.
David. kon er niet aan twijfelen, dat zijn oorlog tegen de Amalekieten rechtvaardig was, en zijn neiging was sterk genoeg om hen aan te vallen, nu het gold datgene terug te verlangen, wat hem het dierbaarst was in deze wereld, en toch wilde hij niet heengaan zonder God om raad te vragen, hiermee zijn afhankelijkheid erkennende van God en zijn onderworpenheid aan Hem.
Indien wij aldus in al onze wegen God erkennen, dan kunnen wij verwachten dat Hij onze gangen zal besturen, zoals Hij Davids gangen hier bestuurd heeft, hem antwoordende boven hetgeen hij had gevraagd, met de verzekering dat hij zeker zal verlossen, of alles terug zal verlangen.
II. Hij ging zelf, in eigen persoon, en nam zijn hele krijgsmacht mee, om de Amalekieten na te jagen, vers 9, 10.
Zie hoe snel, hoe gemakkelijk en hoe afdoend de muiterij onder zijn krijgsvolk door zijn lijdzaamheid en zijn geloof gestild was. Indien hij, toen zij spraken van hem te stenigen, gesproken had van hen te laten ophangen, of bevolen had dat aan de belhamels van de factie terstond het hoofd zou afgehouwen worden, dan zou dit wel rechtvaardig zijn geweest, maar het zou verderflijke gevolgen gehad kunnen hebben voor zijn belangen in dit zo hachelijk tijdsgewricht, en, terwijl hij in strijd was tegen zijn mannen zouden de Amalekieten hun buit in veiligheid hebben gebracht, maar toen hij, als een dove, niet hoorde, zijn toorn in bedwang hield, en zich sterkte in de HEERE, zijn God, was het rumoer des volks gestild door zijn zachtmoedigheid en de macht van God op hun hart.
En, aldus met zachtmoedigheid behandeld zijnde zijn zij nu even gereed en bereid hem te volgen, als zij een ogenblik tevoren gereed waren hem te beledigen. Zachtheid is de veiligheid van elke regering.
Al zijn mannen waren bereid met hem te gaan om de Amalekieten te vervolgen, en hij had hen allen nodig, maar hij was genoodzaakt een derde van hen achter te laten op de weg.
Tweehonderd van de zeshonderd waren zo vermoeid van hun lange mars en zo neergebogen onder de last hun verdriet, dat zij niet over de beek Besor konden komen, maar daar achter bleven. Dit was:
1. Een grote beproeving voor Davids geloof, of hij in vertrouwen op het woord van God wel voort kon gaan, als zovelen achterbleven. Als wij teleurgesteld en ontmoedigd worden met betrekking tot ondergeschikte oorzaken of menselijke hulpmiddelen, en dan toch goedsmoeds voortgaan, vertrouwende op Gods macht, dan geven wij eer aan God, door te geloven tegen hope en in hope.
2. Een groot voorbeeld van Davids tedere zorg voor zijn mannen, daar hij hen volstrekt niet drong om boven hun kracht voort te gaan, hoewel de zaak zelf zo dringend was.
Zo neemt de Zone Davids de staat en toestand in aanmerking van Zijn volgelingen, die niet allen even sterk en krachtig zijn in hun geestelijken strijd, maar waar wij zwak zijn, daar is Hij barmhartig, ja meer, daar is Hij sterk. 2 Corinthiers 12:9, 10.
III. Gods voorzienigheid voerde iemand op hun weg, die hun inlichtingen gaf omtrent de bewegingen des vijands, en de hun leidde.
Het was een arme Egyptische knaap, in wie nog nauwelijks enig leven was, die het middel werd tot veel goed voor David. God verkiest het zwakke van de wereld om er de wijzen mee te beschamen.
Merk op:
1. De wreedheid zijns meesters jegens hem. Hij had al de dienst uit hem gekregen, die hij verlenen kon, en toen hij nu ziek werd, waarschijnlijk door overwerkt te zijn, heeft hij hem barbaars in het veld laten liggen om er om te komen, toen hij volstrekt niet zo in haast was, of hij had hem op een van de wegens kunnen leggen en hem naar huis brengen, of tenminste had hij bij hem kunnen laten wat nodig was om zijn leven te onderhouden.
Die meester heeft de aard van een Amalekiet, niet van een Israëliet, die aldus een dienstknecht slechter kan behandelen dan men een beest zou behandelen. De barmhartigheden van de goddelozen zijn wreed. Deze Amalekiet dacht dat hij nu dienstknechten genoeg zou vinden onder de Israëlietische gevangenen, en daarom bekommerde hij zich niet om wat er van zijn Egyptischen slaaf zou worden, maar was hij volkomen bereid om hem in een sloot te laten sterven bij gebrek aan het nodige voedsel, terwijl hij zelf etende en drinkende was, vers 16.
Rechtvaardig heeft Gods voorzienigheid deze arme knecht, die zo laaghartig behandeld was, tot het middel gemaakt van het verderf van heel een leger van Amalekieten, en van zijn meester onder de rest, want God hoort het geroep van verdrukte dienstknechten.
2. Davids medelijden met hem, hoewel hij reden had te denken dat hij een dergenen was die geholpen hebben, om Ziklag te verwoesten.
Maar hem in nood vindende, heeft hij hem moedig geholpen, niet alleen met brood en water, vers 11, maar met vijgen en rozijnen vers 12.
Hoewel de Israëlieten in haast waren en zelf geen grote overvloed hadden wilden zij toch niet nalaten degene te redden die ter dood gegrepen was, noch zeggen:
Zie wij wisten dat niet, Spreuken 24:11, 12. Diegenen zijn de naam van Israëlieten onwaardig, die de ingewanden hunner barmhartigheid toesluiten voor personen, die in kommer en benauwdheid zijn.
Het was ook verstandig om deze Egyptenaar te hulp te komen, want hoewel hij in minnen toestand was, was hij toch instaat hun dienst te bewijzen, zo bleek het, hoewel zij er niet zeker van waren, toen zij hem te hulp kwamen.
Het is een goede reden, waarom wij aan geen mens enig leed moeten doen, noch een vriendelijkheid moeten weigeren, al kennen wij hem niet, omdat het vroeg of laat in zijn macht kan wezen, om hetzij de vriendelijkheid te vergelden of het leed te wreken.
3. De inlichting, die David van deze armen Egyptenaar ontving, toch hij tot zichzelf was gekomen. Hij gaf hem bericht van de bende, waartoe hij had behoord:
a. Wat zij gedaan hebben, vers 14 : Wij waren ingevallen. De landen, waarin David bij Achis voorwendde een inval te hebben gedaan, Hoofdstuk 27:10, hebben zij in werkelijkheid overrompeld en verwoest. Wat toen onwaar was, bleek nu maar al te waar te zijn.
b. Waar zij heen waren gegaan, vers 15. Dit beloofde hij aan David te zullen zeggen op voorwaarde, dat hij hem niet zal doden en hem niet zal overleveren aan zijn meester, die, als hij weer in zijn handen kwam, hem-naar hij dacht-met nog meer wreedheid zou behandelen dan tevoren.
Zo hoge mening koesterde deze arme Egyptenaar van het verplichtende van een eed, dat hij geen groter waarborg voor zijn leven verlangde dan deze: Zweer mij bij God, niet bij de goden van de Egyptenaren of van Amalek, maar bij de enige, ware God.
IV. David, naar de plaats geleid zijnde, waar zij lagen en in alle gerustheid hun triomfen vierden, overviel hen, en heeft, naar hij placht te bidden, zijn lust aan zijn vijanden gezien. 1. De plunderaars werden gedood. De Amalekieten, bevindende dat zij een rijke buit hadden verkregen, en-naar zij meenden-er mee in veiligheid gekomen waren, hebben er zich zeer vrolijk mee gemaakt, vers 19.
Zij hadden alle gedachten aan krijg ter zijde gelegd, en maakten ook geen haast om hun buit te gaan bergen, maar lagen verstrooid over de ganse aarde, zo zorgeloos mogelijk, en daar werden zij gevonden etende, en drinkende, en dansende, ter ere van hun afgoden waarschijnlijk, aan welke zij de lof gaven voor hun voorspoed.
In deze houding verraste hen David, waardoor zijn overwinning nog zoveel gemakkelijker werd voor hem, en zoveel treuriger voor hen. De zondaren zijn het dichtst bij hun verderf als zij roepen: "Vrede, vrede, en geen gevaar, en de bozen dag verre steller". Ook is er niets, dat aan onze geestelijke vijanden meer voordeel tegen ons verschaft dan zinnelijkheid en een toegeven aan het vlees. Etende en drinkende, en dansende, dat is de lieflijke en aangename weg geweest, waarop velen naar de vergadering van de doden zijn afgegaan. Hen aldus onwaakzaam en ongewapend vindende (velen van hen misschien wel dronken en buiten staat zich te verweren) heeft hij hen allen over de kling gejaagd, slechts vier honderd ontkwamen, vers 17.
Aldus is "het gejuich van de goddelozen" van korte duur, Job 20:5,, en zal toorn over hen komen, als zij, gelijk Belsazar, in het midden van hun vrolijkheid zijn.
2. De buit werd hernomen en teruggebracht. Zij hadden niets verloren, maar wel veel gewonnen.
a. Zij kregen het hun terug, vers 18, 19. David redde zijn twee vrouwen, hiervan wordt inzonderheid melding gemaakt, omdat dit David meer dan alles heeft verblijd.
De Voorzienigheid had het zo beschikt dat de Amalekieten alles wat zij genomen hadden zeer zorgvuldig hadden bewaard, in de waan dat zij het voor zichzelf bewaarden, maar in werkelijkheid hebben zij het voor de rechte eigenaars bewaard, zodat er niets gemist werd, zo bleek het, toen zij dachten, dat alles weg was, zo veel beter is God soms voor ons de onze vrees ons doet geloven.
Onze Heere Jezus was in waarheid de Zone Davids en de Zone Abrahams, hierin gelijkende op beide dat Hij de machtigen de vangst ontromen heeft, en de gevangenis gevankelijk heeft gevoerd, Abraham, Genesis 14:16, en hier David. Maar dit was niet alles.
b. Zij namen daarbij ook alles wat de Amalekieten had toebehoord, vers 20, schapen en runderen, hetzij ontnomen aan de Filistijnen en anderen, waarover David naar oorlogsrecht kon beschikken, of hij heeft misschien een inval gedaan in het land des vijands en deze schapen en runderen vandaar gehaald als interest voor de zijnen.
Deze kudden werden in de voorhoede van de zegetocht geplaatst, en daarbij geroepen: "Dit is Davids buit".
Die hebben wij hem te danken. Zij, die kort tevoren spraken van hem te stenigen, vleiden en roemden hem thans, omdat zij door hem meer hadden verkregen dan zij hadden verloren. Zo worden de wereld en haar gevoelens geregeerd door eigenbelang.