1 Samuël 27:8-12
Hier is een bericht van Davids krijgsdaden terwijl hij in het land van de Filistijnen was, zijn verwoeden aanval op sommige van de overblijfselen van de gevloekte volken, zijn voorspoed daarbij, en de voorstelling, die hij er van gaf aan Achis.
1. Wij kunnen hem vrijspreken van onrechtvaardigheid en wreedheid in deze krijgsverrichting, omdat de volken, die hij uitroeide, door de hemel sinds lang aan het verderf gewijd waren en hij, die het deed, was door de hemel verordineerd tot de heerschappij, zodat het voegzaam was dat het gedaan werd, en hij, die het deed, bevoegd was om het te doen. Hem, die gezalfd was om de oorlogen des Heeren te oorlogen, paste het niet om in traagheid neer te zitten, hoe gepast hij het ook oordeelde om zich in bescheidenheid terug te trekken. Hij wenste veilig te zijn voor Saul alleen, maar zich aan gevaar te kunnen blootstellen voor Israël, hij heeft een oude twist, die God met deze volken had, gewroken, en terzelfder tijd voorraad gehaald voor zich en zijn leger, want op hun zwaard moesten zij leven. De Amalekieten moesten allen uitgeroeid worden, de Gezurieten en de Girzieten waren waarschijnlijk takken van Amalek, Saul werd verworpen omdat hij hen had gespaard, maar zijn gebrek aan gehoorzaamheid wordt door David vergoed, eer hij zelf de troon beklimt. Hij sloeg hen en liet noch man noch vrouw leven, vers 8, 9. Die dienst beloonde zichzelf, want zij voerden een rijke buit weg, die tot onderhoud van Davids krijgsmacht diende.
2. Maar wij kunnen hem niet vrijspreken van veinzerij bij Achis in het bericht, dat hij hem gaf van zijn expeditie.
A. David schijnt niet gewild te hebben dat Achis de waarheid zou weten, en daarom heeft hij niemand gespaard, die er de tijding van naar Gath kon brengen, vers 11, niet omdat hij zich schaamde over wat hij gedaan had, alsof het een slechte daad was, maar omdat hij vreesde dat de Filistijnen, zo zij het wisten, zich of hun bondgenoten in gevaar zouden achten, door hem in hun midden te laten wonen, en hem daarom van uit hun landpalen zouden verdrijven.
Zij zouden gemakkelijk tot de gevolgtrekking kunnen komen: Alzo heeft hij gedaan, en alzo zal hij doen, en daarom heeft hij het zorgvuldig voor hen verborgen gehouden, hetgeen hij schijnt te hebben kunnen doen, door allen over de kling te hebben gejaagd, want geen hunner naburen zou er het bericht van brengen, noch zouden zij wellicht spoedig te weten komen wat er geschied was, daar de tijdingen toen niet zo spoedig verspreid werden als nu.
B. Hij hield het verborgen voor Achis door een dubbelzinnigheid, die volstrekt niet voegde aan zijn karakter. Gevraagd zijnde naar welke zijde hij zijn inval gedaan had. antwoordde hij: Tegen het zuiden van Juda, vers 10. Het was waar, hij had een inval gedaan in de landen, die ten zuiden van Juda lagen, maar hij liet Achis geloven, dat hij een inval had gedaan in die, welke in het zuiden van Juda lagen, in dat van de Zifieten bijvoorbeeld, die hem twee keer hadden verraden.
En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israël, vers 12, waardoor hij voorgoed aan de belangen van Achis zou verbonden blijven. Achis' trouw aan hem, de goede mening, die hij van hem had, en het vertrouwen, dat hij in hem stelde, verzwaren zijn zonde van hem aldus te bedriegen, hierover, en over nog andere dergelijke gevallen heeft David later met berouw nagedacht, en het heeft hem doen bidden: "Wend van mij af de weg van de valsheid".