1 Samuël 26:21-25
I. Hier is Sauls boetvaardige belijdenis van zijn zonde en dwaasheid in David te vervolgen, en zijn belofte van het niet weer te doen.
Dit tweede voorbeeld van Davids eerbied voor hem heeft krachtiger op hem gewerkt dan het eerste, en ontwrong hem een betere bekentenis, vers 21.
1. Hij erkent zich vertederd en gewonnen door Davids goedheid jegens hem. Mijn ziel dezen dag dierbaar in uw ogen geweest is terwijl ik dacht, dat gij mij hebt gehaat, dat gij een afkeer van mij hadt!
2. Hij erkent zeer slecht gedaan te hebben in hem te vervolgen, dat hij hierin tegen Gods wet heeft gehandeld, ik heb gezondigd, en tegen zijn eigen belang, ik heb dwaselijk gedaan, in degene te vervolgen als mijn vijand, die een mijn beste vriend geweest zou zijn, als ik het mij maar had kunnen voorstellen, hierin zegt hij ik heb zeer grotelijks gedwaald, en beide u en mijzelf onrecht gedaan. Zij, die zondigen, doen dwaselijk en dwalen grotelijks, zij inzonderheid, die Gods volk haten en vervolgen, Job 19:28.
3. Hij nodigt hem om weer aan het hof te komen. keer weder, mijn zoon David. Zij, die verstandig zijn, zullen inzien dat het in hun belang is, om diegenen om zich heen te hebben, die zich voorzichtig gedragen, zoals David, en met wie God is.
4. Hij belooft dat hij hem niet meer zal vervolgen, maar hem zal beschermen: ik zal u geen kwaad meer doen. Wij hebben reden te geloven dat hij toen meende wat hij zei, maar toch is noch zijn belijdenis noch zijn belofte van verbetering uit een beginsel van waar berouw of bekering voortgekomen.
II. Davids gebruik van Sauls overtuiging en bekentenis, en het bewijs dat hij kon overleggen van zijn oprechtheid. Hij verlangt dat een van de jongelingen zal komen om de spies te halen, vers 22, en dan vers 23,
1. Beroept hij zich op God als Rechter van de twist. De HEERE dan vergelde aan een iegelijk zijn gerechtigheid en zijn getrouwheid. Door het geloof is David er zeker van, dat Hij het doen zal, want Hij kent het ware karakter van alle personen en daden, en is rechtvaardig om een ieder te vergelden naar zijn werk, en door het gebed begeert hij, dat Hij het doen zal, en hierin bidt hij in werkelijkheid tegen Saul, die onrechtvaardig en ontrouw met hem heeft gehandeld, `Geef hun naar hun doen", Psalm 28:4 , maar voornamelijk en in de eerste plaats bedoelt hij het als een gebed voor zichzelf, dat God hem zal beschermen in zijn gerechtigheid en getrouwheid, en er hem voor zal belonen, daar Saul ze hem zo slecht heeft vergolden.
2. Nogmaals herinnert hij Saul aan het bewijs, dat hij hem nu gegeven heeft voor zijn eerbied voor hem uit beginsel van trouw: ik heb mijn hand niet willen uitsteken, aan de gezalfde des HEEREN, aan Saul te kennen gevende dat zijn zalfolie zijn bescherming was, die hij aan de Heere was verschuldigd, en waarvoor hij Hem moest dankzeggen, ware hij een gewoon man geweest, hij, David, zou hem niet zo ontzien hebben, en misschien is nu Saul door het opperen van dit denkbeeld, tot de wetenschap gekomen, of had hij tenminste reden om te denken, dat ook David de gezalfde des Heeren was, en Saul dus naar dezelfde regel evenzeer Davids leven moest ontzien, als David het zijne ontzien heeft.
3. Niet al te veel steunende op Sauls beloften, stelt hij zich onder Gods bescherming en vraagt om Zijn gunst, vers 24 : "Gelijk als te dezen dage uw ziel in mijn ogen is groot geacht geweest, alzo zij mijn ziel in de ogen des HEEREN groot geacht, en Hij verlosse mij uit alle nood, van hoe geringe waarde gij het ook moogt achten". Aldus neemt hij God aan voor zijn betaalmeester voor zijn goedheid tegen Saul, wat zij met vertrouwen doen kunnen, die weldoen en daarvoor lijden.
III. Sauls voorzegging van Davids verhoging. Hij prijst hem, vers 25. Gezegend zijt gij, mijn zoon David. Zo sterk was nu de overtuiging bij Saul van Davids oprechtheid, dat hij zich niet schaamde zichzelf te veroordelen en David te prijzen, zelfs in de tegenwoordigheid van zijn krijgslieden, die wel moesten blozen bij de gedachte, dat zij met zoveel woede waren uitgetrokken tegen een man, die hun meester, als hij hem ontmoet, aldus liefkoost.
Hij voorzegt zijn overwinning en zijn eindelijke verheffing: gij zult het ja gewisselijk doen.
Zij, die er nauwgezet naar streven om te doen wat waarlijk goed is, kunnen er door de hulp Gods toe komen om te doen wat waarlijk groot is.
Hij voegt er bij: gij zult ook gewisselijk de overhand hebben, al meer en meer, hij bedoelt tegen hemzelf, maar kon er niet toe komen om dit ronduit te zeggen.
De vorstelijke hoedanigheden, die in David gezien werden, zijn edelmoedig sparen van Saul, zijn militair gezag in zijn berisping van Abner omdat hij geslapen heeft, zijn zorg voor het openbare welzijn, en de bijzondere tekenen dat God met hem was, overtuigden Saul, dat hij gewis verhoogd zal worden op de troon, overeenkomstig de hem betreffende profetieën.
Eindelijk. De wonde aldus voor het ogenblik genezen zijnde, scheidden zij als vrienden. Saul keerde terug naar Gibea-"re infecta-zonder zijn voornemen volvoerd te hebben", beschaamd over de tocht, die hij ondernomen had, maar David wilde hem niet in zoverre op zijn woord geloven, om met hem weer te keren.
Zij die eenmaal ontrouw zijn geweest zullen niet licht voor de tweede maal vertrouwd worden, en daarom: Toen ging David op zijn weg.
Na deze scheiding hebben David en Saul, voorzoveel blijkt, elkaar nooit wedergezien.