1 Samuël 23:19-28
1. Hier bieden de Zifieten Saul hun diensten aan om David aan hem over te leveren.
Hij verborg zich in de woestijn van Zif, vers 14-15, te meer vertrouwen stellende in het volk van die landstreek, omdat zij van zijn eigen stam waren.
Zij hadden reden zich gelukkig te achten met de gelegenheid om een man van dienst te zijn, die het sieraad was van hun stam, en dit waarschijnlijk nog veel meer zijn zal, een man, die wel verre van met zijn troepen het land te plunderen of te verontrusten, bereid was het te beschermen, en hun alle goede diensten te bewijzen.
Maar om zich aangenaam te maken bij Saul, gingen zij tot hem, en berichtten hem niet slechts zeer nauwkeurig waar David zich ophield, vers 19, maar nodigden hem om hem met zijn krijgsmacht in hun land te komen vervolgen, en beloofden hem David in zijn handen te zullen overleveren, vers 20.
Saul had hun geen boodschap gezonden om hen te ondervragen, of hen te dreigen, maar uit eigen beweging, en zelfs zonder om een beloning te vragen, (zoals Judas gedaan heeft: Wat zult gij mij geven?) boden zij aan David aan hem over te leveren, die, naar zij wisten, dorstte naar zijn bloed.
2. Met dankbaarheid ontvangt Saul hun bericht, en met blijdschap grijpt hij de gelegenheid aan, om David in hun woestijn op te sporen, in de hoop hem eindelijk tot zijn prooi te kunnen maken. Hij geeft hun te kennen, hoe goed hij het van hen opnam, vers 21.
Gezegend zijt gijlieden den HEERE (zo heeft hij God in de mond, maar ver van zijn hart) dat gij u over mij ontfermd hebt!
Het schijnt dat hij zichzelf een ongelukkig, beklagenswaardig man vindt, dit was hij ook door zijn eigen afgunst en boosaardigheid, want anders zou hij gerust en gelukkig geweest zijn, en niemands medelijden nodig hebben gehad. Hij geeft ook te kennen dat het volk in het algemeen weinig bekommering om hem toonde: "Gij hebt u over mij ontfermd, maar niemand anders."
Saul geeft hun instructies om nog nauwkeuriger onderzoek te doen naar zijn gangen, vers 22, "want," zegt hij, "ik heb gehoord dat hij zeer listiglijk pleegt te handelen," hem voorstellende als een man, listig om kwaad te doen, terwijl al zijn listigheid slechts bestond in zich te beveiligen.
Het was vreemd dat hij niet onmiddellijk met hen aftrok, maar hij hoopte door hun hulp zijn wild nog secuurder in het net te krijgen, en zo heeft Gods voorzienigheid aan David de tijd gegeven om zich te redden. Maar de Zifieten hadden hun spionnen aan alle plaatsen gesteld, waar hij ontdekt kou worden, en daarom kon Saul komen en hem gevangen nemen, als hij in het land was, vers 23. Nu waande hij zich zeker van zijn prooi en verlustigde zich in het denkbeeld van haar te verslinden.
3. Het dreigend gevaar, waarin David nu gekomen was. Toen hij vernam dat de Zifieten hem hadden verraden, trok hij zich terug van de heuvel van Hachila naar de woestijn naar Maon, vers 24, en in die tijd schreef hij de 54sten Psalm, zoals blijkt uit het opschrift, waarin hij de Zifieten vreemden noemt, hoewel zij Israëlieten waren, omdat zij hem barbaars behandelden, maar hij stelt zich onder de bescherming Gods: Ziet God is mij een helper en dan zal alles wèl wezen."
Saul, bericht nopens hem gekregen hebbende joeg hem na, totdat hij zo dicht bij hem kwam, dat hij slechts door een berg van hem gescheiden was, vers 26 ,
David en zijn mannen aan de ene zijde van de berg vluchtende, Saul en zijn mannen aan de andere zijde hem vervolgende, David in vrees, Saul in hoop. Maar die berg was een embleem van Gods voorzienigheid, zich stellende tussen David en de verderver, zoals de wolkkolom tussen de Israëlieten en de Egyptenaren.
David was door die berg verborgen, Saul werd er door verbijsterd David "zwerft nu heen naar zijn gebergte als een vogel", Psalm 11:1, en bevindt dat God hem is als de schaduw van een hoge rots.
Saul hoopte met zijn talrijke krijgsmacht David en zijn mannen te kunnen omsingelen maar het terrein was niet gunstig voor dit plan, en zo is het mislukt. Ter gedachtenis hieraan werd aan deze plaats een nieuwe naam gegeven, vers 28.
Sela-Mahlekoth de rots van de scheiding, omdat zij Saul en David van elkaar scheidde.
4. Davids verlossing uit dit gevaar. Gods voorzienigheid gaf Saul afleiding, juist toen hij op het punt was David te grijpen, er kwam een bericht tot hem, dat de Filistijnen zijn in het land gevallen, vers 27, waarschijnlijk in dat deel des lands, waar zijn eigen bezittingen lagen, die genomen of tenminste verwoest zouden worden door de aanvallers, want de weinige notitie, die hij genomen heeft van Kehila's benauwdheid en van de hulp en verlossing, die deze stad door David verkregen heeft in het begin van dit hoofdstuk, geven ons reden te denken, dat hij nu zijn vervolging van David niet gestaakt zou hebben om tegen de Filistijnen te gaan strijden, indien zijn bijzondere belangen niet op het spel stonden.
Hoe dit nu zij, hij vond zich in de noodzakelijkheid om tegen de Filistijnen op te trekken, vers 28, en hierdoor werd David verlost toen hij op het punt was van in het verderf te worden gestort: aan Saul was zijn prooi ontrukt, en God werd verheerlijkt als zijn wonderbare beschermer.
Met hun inval in het land hebben de Filistijnen volstrekt geen vriendelijkheid voor David bedoeld, maar de allesbesturende voorzienigheid Gods, die alle gebeurtenissen en de tijden er voor regelt, heeft die inval zeer dienstig gemaakt voor hem.
Gods wijsheid is nooit verlegen om wegen en middelen, om Zijn volk te bewaren. Gelijk deze Saul hier afgekeerd werd, zo is een andere Saul bekeerd juist op het ogenblik toen hij "dreiging en moord blies tegen de heiligen des HEEREN", Handelingen 9:1.
Eindelijk. David, aldus ontkomen zijnde, heeft een schuilplaats gezocht in een natuurlijke sterkte, en vond die in de woestijn van Engedi vers 29. Dr. Lightfoot is van mening dat dit de woestijn van Juda is, waarin David zich bevond toen hij de 63sten Psalm schreef, want in alle plaatsen en in alle toestanden bleef hij zijn gemeenschap met God onderhouden.