Richteren 6:7-10
I. Merk hier op, hoe God kennis neemt van Israëls roepen, toen het, ten laatste, tot Hem gericht werd. Hoewel zij Hem hadden veronachtzaamd en hun hof hadden gemaakt aan Zijn mededingers, en hoewel zij de ogen niet tot Hem ophieven voordat zij er door de uiterste nood toe gedrongen waren, heeft Hij toch op hun klacht hulp voor hen beschikt. Aldus wilde Hij tonen hoe bereid Hij is te vergeven, hoe ras Hij is om genade te betonen, en hoe geneigd om het gebed te verhoren, opdat de zondaren aangemoedigd zullen zijn om berouw te hebben, en tot Hem weer te keren, Psalm 130:4.
II. De methode, die God volgde, om verlossing voor hen te werken. Eer Hij een engel zond om hun een verlosser te verwekken, zond Hij een profeet, om hen te bestraffen om hun zonde, en hen tot berouw en bekering te brengen, vers 8. Deze profeet wordt niet genoemd, maar hij was een man, een profeet, niet een engel, zoals in Hoofdstuk 2:1. Of deze profeet zijn boodschap aan de kinderen Israëls bracht bij gelegenheid van een algemene samenkomst ter plechtige viering van een feest, of bij een andere grote gelegenheid, of dat hij van stad tot stad ging en van stam tot stam, met een prediking van die strekking, is niet zeker, maar zijn boodschap was: hen te overtuigen van zonde, opdat zij in hun roepen tot de Heere deze met smart en schaamte zouden belijden, maar hun adem niet zouden verspillen door slechts te klagen over hun benauwdheid. Zij riepen tot God om een verlosser, en God zond hun een profeet om hen te onderwijzen, en hen te bereiden voor verlossing. Wij hebben reden te hopen, dat God voornemens is ons genade te betonen, als wij bevinden dat Hij er ons door Zijn genade voor toebereidt. Indien Hij tot hem, die ziek is, een gezant, een uitlegger zendt om de mens zijn rechten plicht te verkondigen, zo zal Hij hem genadig zijn, en herstelling geven, Job 33:23, 24. Het zenden van profeten aan een volk, en het voorzien van een land met getrouwe leraren, is een teken ten goede, en een bewijs dat God genade voor hen heeft weggelegd. Aldus brengt Hij ons tot zich weer, en dan laat Hij Zijn aanschijn over ons lichten, Psalm 80:20.
Wij hebben hier de hoofdpunten van de boodschap, die deze profeet in de naam des Heeren tot Israël heeft gebracht.
A. Hij houdt hun de grote dingen voor die God voor hen gedaan heeft, vers 8, 9. Alzo zegt de Heere, de God Israëls. Zij hadden de goden van de volken aangebeden, alsof zij zelf geen God hadden om te aanbidden, en dus de god mochten kiezen, die zij wilden, maar zij worden hier herinnerd aan Één, die zij hadden vergeten, die bekend was als de God van Israël en tot Hem moeten zij weerkeren. Zij hadden zich tot andere goden gewend, alsof hun God onmachtig of onwillig was om hen te helpen, en daarom wordt hun gezegd wat Hij gedaan heeft voor hun vaderen in wier lenden zij waren, en waarvan de weldaad en het voordeel waren nedergekomen tot deze hun ondankbare nakomelingen.
a. Hij heeft hen doen opkomen uit Egypte, waar zij anders in altijddurende armoede en slavernij zouden gebleven zijn.
b. Hij heeft hen verlost van de hand van allen, die hen dekten. Dit wordt vermeld om te kennen te geven dat de reden, waarom zij nu niet verlost waren van de hand van de hen drukkende Midianieten, niet was gebrek aan macht of bereidwilligheid in God, maar omdat zij zich door hun ongerechtigheden hadden verkocht, en God hen niet wilde lossen, voor zij door hun berouw de verkoop herriepen.
c. Hij heeft hen in het vreedzaam bezit gesteld van dit goede land. Dit verzwaarde niet slechts hun zonde, en hechtte er het schandmerk aan van lage ondankbaarheid, maar het rechtvaardigde God, en zuiverde Hem van allen blaam wegens de benauwdheid, waarin zij nu waren. Zij konden niet zeggen dat Hij onvriendelijk was, want Hij had hun alle mogelijke bewijzen gegeven van het goede met hen voor te hebben. Als hun desniettemin kwaad overkomt, dan hebben zij dit zichzelf te wijten.
B. Hij toont hun het licht uitvoerbare en billijke van hetgeen God van hen eiste en verwachtte, vers 10. "Ik ben de Heere uw God, aan wie gij de grootste verplichtingen hebt: vreest de goden van de Amorieten niet," dat is: aanbidt hen niet, bewijst hun generlei eer, aanbidt hen niet uit vrees dat zij u anders kwaad zullen doen, immers, welk kwaad kunnen zij u doen, zolang Ik de Heere uw God ben? Vreest God, en dan behoeft gij hen niet te vrezen."
C. Hij beschuldigt hen van rebellie tegen God, die hun dit gebod had opgelegd, maar gij zijt aan Mijn stem niet gehoorzaam geweest. De beschuldiging is in weinig woorden vervat, maar zij is zeer zwaarwichtig: dit was de boosheid van al hun zonde, het was ongehoorzaamheid aan God, en daarom was zij het, die al deze rampen over hen bracht, waaronder zij nu gebukt gingen, ingevolge de bedreigingen, die aan deze geboden waren toegevoegd. Hij bedoelt hiermede hen tot bekering te brengen, en onze bekering zal dan recht en waar zijn, als het de zondigheid van de zonde, de ongehoorzaamheid aan God is, die wij er voornamelijk in betreuren.