1 Samuël 1:19-28
I. Hier is de terugkeer van Elkana en zijn gezin naar hun eigen woning, toen de bepaalde dagen van het feest voorbij waren, vers 19.
Merk op hoe zij van hun tijd gebruik maakten in de tabernakel. Iedere dag, die zij daar waren, zelfs de dag, die voor hun thuisreis bestemd was, aanbaden zij God, en zij stonden vroeg op om dit te doen. Het is goed om de dag met God te beginnen. Laat Hem, die de eerste is, het eerste hebben. Zij hadden een reis voor zich, en zij hadden kinderen bij zich, en toch wilden zij niet vertrekken voordat zij tezamen hadden aangebeden. Zij hadden nu verscheidene dagen met Godsdienstoefeningen doorgebracht, en toch woonden zij er nog een bij. Wij moeten niet vertragen In goeddoen.
II. De geboorte en de naam van die begeerden zoon. Eindelijk gedacht de Heere aan Hanna, dat was het wat zij had begeerd, vers 11, en meer behoefde zij niet te begeren, dat was genoeg, want toen werd zij bevrucht en baarde een zoon. Of schoon God lang de lasten het verdriet, de zorgen en de gebeden Zijns volks schijnt te vergeten, zal Hij toch eindelijk doen blijken, dat zij niet uit Zijn gedachten waren. Dezen zoon noemde de moeder Samuël vers 20. Sommigen achten dat de woordafleiding daarvan tamelijk gelijk is aan Ismael gehoord door God, omdat de gebeden van de moeder op merkwaardige wijze verhoord zijn, en hij de verhoring er van was. Om de reden, die zij opgeeft voor de naam, denken anderen dat de betekenis er van is: van God gevraagd, het komt tamelijk op hetzelfde neer. Zij bedoelde er mee de gedachtenis te bewaren van Gods gunst jegens haar in de verhoring van haar gebed.
Zij bedoelde om telkenmale als zijn naam genoemd werd er de vertroosting van te smaken, en Gode de eer te geven voor Zijn genade en goedheid. Zegeningen, verkregen op het gebed, moeten herdacht worden met bijzondere uitdrukkingen van dankbaarheid, zoals in Psalm 116:1, 2. Hoeveel tijdige uitreddingen en voorzieningen in nood en behoeften kunnen wij Samuël noemen, gevraagd van God en al wat aldus verkregen is, moeten wij zeer bijzonder Hem toewijden. Hanna bedoelde met deze naam haar zoon te herinneren aan de verplichtingen jegens God, die op hem rustten uit aanmerking dat hij van God gevraagd was en Hem terzelfder tijd was toegewijd. Een kind des gebeds is op zeer bijzondere wijze verplicht een goed kind te zijn. Lemuels moeder herinnert hem er aan, dat hij de zoon is "harer geloften", Spreuken 31:2.
III. Hanna's nauwgezetheid in haar zogen van hem, niet slechts omdat hij haar dierbaar was, maar omdat hij toegewijd was aan God en voor Hem voedde zij hem op. Daarom heeft zij hem ook zelf gezoogd en hem niet aan de borst van een andere vrouw gegeven. Wij behoren zorg te dragen voor onze kinderen, niet slechts met het oog op de wet de natuur als onze kinderen, maar met het oog op het verbond van de genade, als kinderen, die aan God zijn gegeven. Zie Ezechiël 16:20,21. Het heiligt het zogen van hen, als het voor de Heere geschiedt.
Elkana ging ieder jaar op om te aanbidden in de tabernakel, en nu inzonderheid om zijn gelofte te betalen, misschien had hij een gelofte gedaan, onderscheiden van die van Hanna, zo God hem een zoon uit haar zou geven, vers 21. Maar hoewel Hanna een warme liefde had voor de voorhoven van Gods huis, vroeg zij haar man om verlof om tehuis te mogen blijven, want de vrouwen waren niet verplicht om voor de drie jaarlijkse feesten op te gaan, zoals de mannen dit waren. Hanna was wel gewoon op te gaan, maar nu wenste zij er zich van te verontschuldigen:
1. Omdat zij niet zolang van haar zoogkind afwezig kon zijn. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten? Wij kunnen onderstellen dat zij gestadig tehuis bleef, want als zij ergens heengegaan waren, het zou naar Silo geweest zijn. God wil barmhartigheid en geen offerande. Zij, die door het zogen en verzorgen van kleine kinderen van de openbare Godsdienstoefeningen teruggehouden worden, kunnen uit dit voorbeeld troost erlangen en geloven dat, zo zij dit doen met het oog op God, zij er Hem welbehagelijk in zijn zullen, en dat zij, hoewel zij tehuis blijven, toch de roof zullen delen.
2. Omdat zij niet naar Silo wilde opgaan, voordat haar zoon groot genoeg was, niet alleen om derwaarts medegenomen te worden, maar om hem er te laten, want, als zij hem daar eens had medegenomen, dan zou zij het niet van zich kunnen verkrijgen, dacht zij, om hem weer terug te brengen. Zij, die vastelijk besloten zijn hun geloften te betalen, kunnen toch goede redenen hebben om de betaling er van uit te stellen. Alles is schoon op zijn tijd. Geen dier werd als offerande aangenomen, voor het enigen tijd onder zijn moeder geweest is, Leviticus 22:27. Vruchten zijn het best als zij rijp zijn. Elkana stemt in met haar voorstel, vers 23.
Doe wat goed is in uw ogen. Zover was het van hem om er behagen in te scheppen haar tegen te staan, dat hij de zaak geheel en al aan haar overliet. Zie, hoe goed en lieflijk het is als echtgenoten eensgezind zijn, zich schikken naar elkaar, ieder denkende dat wat de andere doet, goed is, inzonderheid in werken van Godsvrucht en liefdadigheid. Hij voegt er een gebed bij: De Heere bevestige maar Zijn woord, dat is: "God behoede het kind in de gevaren van zijn kindsheid, opdat de plechtige gelofte, waarvan God Zijn aanneming heeft doen blijken door ons het kind te geven, ter bestemder tijd vervuld zal kunnen worden, en dus ook de gehele zaak vervuld zal worden." Zij, die in oprechtheid hun kinderen aan God gewijd hebben, kunnen goedsmoeds en getroost voor hen bidden, dat God het aan hen verzegelde woord zal bevestigen, dat bij hun opdracht aan Hem gesproken werd.
IV. De plechtige intrede van dit kind in de dienst van het heiligdom. Wij kunnen aannemen, als iets dat vanzelf sprak, dat hij, toen hij veertig dagen oud was, de Heere werd voorgesteld, zoals dit met alle eerstgeborenen geschiedde, Lukas 2:22, 23, maar dit wordt niet vermeld, omdat daar niets bijzonders in was, doch nu hij gespeend was, werd hij niet om gelost te worden voorgesteld.
Sommigen denken dat het geschiedde terstond nadat hij van de borst gespeend was, hetgeen, zeggen de Joden, niet gebeurde vóór hij drie jaar oud was. Er is gezegd: de vrouw zoogde hem totdat zij hem speende, vers 23.
Anderen denken dat het niet was voordat hij van kinderachtigheid gespeend was, toen hij acht of tien jaar oud was. Maar ik zie er geen bezwaar in te geloven, dat zo buitengewoon een kind reeds op driejarigen leeftijd in de tabernakel werd toegelaten, om onder de kinderen van de priesters te worden opgevoed. In vers 24 wordt gezegd: het jongsken was zeer jong, maar verstandig zijnde boven zijn jaren, was hij niet tot last. Niemand kan te vroeg beginnen Godsdienstig te zijn. Het kind was een kind, luidt de uitdrukking in het Hebreeuws, in zijn leerjaren. Want wie zou Hij dan de kennis leren, en wie zou Hij het gehoorde te verstaan geven? De gespeenden van de melk, de afgetrokkenen van de borsten, Jesaja 28:9.
Merk op hoe zij haar kind voorstelde.
1. Met offerande, niet minder dan drie varren, en bij ieder een spijsoffer, vers 24, een var misschien voor elk jaar van het leven des kinds, of een ten brandoffer, een ten zondoffer, en de derde ten dankoffer. Zover was het van haar te denken dat zij door haar zoon aan God te wijden, God tot haar schuldenaar had gemaakt, dat zij het nodig vond om door deze geslachte offers Gods aanneming te verkrijgen van haar levende offerande. Al onze verbonden met God voor onszelf en voor de onze moeten gemaakt worden door offerande, het grote offer.
2. Met een dankerkentenis van Gods goedheid in de verhoring van haar gebed. Die dankerkentenis spreekt zij uit voor Eli, omdat hij haar aangemoedigd had te hopen op een antwoord des vredes, vers 26, 27. Ik bad om dit kind. (Hier is het verkregen op het gebed en hier wordt het afgestaan aan God, die het gebed verhoort.) "Gij hebt mij vergeten, mijn heer, maar ik, die nu zo goedsmoeds ben, ik ben dezelfde vrouw, die drie jaren geleden hier bij u stond, wenende en biddende, en dit is het kind om hetwelk ik gebeden heb." Aldus mag ter ere Gods ootmoedig gejuicht en geroemd worden in gebedsverhoring. Hier is een levend getuigenis voor God: "Ik ben Zijn getuige dat Hij genadig en goedertieren is". Zie Psalm 66:16 19. "Om deze zegen, die vertroosting, heb ik gebeden, en Hij heeft mij geantwoord". Zie Psalm 34 3, 5, 7. Hanna herinnert Eli er niet aan door te doelen op de verdenking, die hij van haar gehad heeft en haar te kennen heeft gegeven, zij zegt niet: Ik ben de vrouw, aan wie gij deze strenge bestraffing hebt toegediend, wat is nu uw mening van mij? Godvruchtige mensen behoort men hun zwakheden en vergissingen niet te verwijten, niet telkens voor de voeten te werpen, zij hebben er berouw van gehad, en nu moeten zij er niet meer van horen.
3. Met een volkomen overgave van haar deel in dit kind aan de Heere, vers 28. Ik heb hem de Heere geleend al de dagen, die hij wezen zal, en zij herhaalt het, omdat zij het nooit zal herroepen, hij zal een "deodand" wezen geleend of gegeven aan de Heere. Niet dat zij voornemens was hem terug te roepen, zoals wij doen met wat wij geleend hebben, maar zij gebruikt dit woord: shaol, hij leende, omdat het hetzelfde woord is dat zij tevoren gebruikt heeft (in vers 20, ik vroeg hem van de Heere), maar in een andere vervoeging. En in vers 27, de Heere heeft mij mijn bede gegeven die ik van Hem gebeden heb (shaalti in kal), daarom heb ik hem geleend, (hishilti, hetzelfde woord in hiphil) en zo geeft het een andere woordafleiding aan zijn naam, Samuël, niet alleen van God gevraagd, maar aan God geleend. En merk op:
a. Alles wat wij aan God geven is wat wij eerst van Hem gevraagd en ontvangen hebben. Al onze gaven aan Hem waren eerst Zijn gaven aan ons. Het is alles van U en wij geven het U uit Uwe hand, 1 Kronieken 29:14, 16.
b. Al wat wij aan God geven, kan dieswege gezegd worden Hem geleend te zijn, dat hoewel wij het niet mogen terug vragen als iets dat geleend is, Hij toch met interest terug zal geven tot ons onuitsprekelijk voordeel, inzonderheid wat gegeven is aan zijn armen, Spreuken 19:17. Als wij onze kinderen in de doop toewijden aan God, zo laat ons gedenken dat zij door een souverein recht tevoren reeds de Zijnen waren, en dat zij tot onze meerdere vertroosting nog de onze zijn. Hanna staat hem af aan de Heere niet voor een zeker aantal jaren, zoals kinderen, die ergens in de leer gedaan worden maar "durante vita -zolang als hij leeft zal hij de Heere geleend zijn, een levenslange nazireër. Zo moet ons verbond zijn met God, een huwelijksverbond, zolang als wij leven moeten wij de Zijnen wezen, moeten wij Hem nooit verlaten.
Eindelijk. Het kind Samuël gedroeg zich van zijn kant boven hetgeen van iemand van zijn jaren verwacht kon worden, want het schijnt van hem gezegd: Hij bad aldaar de Heere aan, dat is: hij deed zijn gebeden. Hij was ongetwijfeld vroeg gevorderd in Godsvrucht, (wij hebben kinderen gekend, die reeds zeer jong een besef van Godsdienst hebben aan de dag gelegd) en daar zijn moeder hem bestemd had voor het heiligdom, heeft zij bijzonder zorggedragen om hem op te voeden voor hetgeen in het heiligdom zijn werk zal wezen. Kleine kinderen moeten reeds vroeg leren God te aanbidden. Hun ouders moeten hen daarin onderwijzen en er hen toe brengen, en hen aansporen om het zo goed te doen als zij kunnen, en God zal hen genadiglijk aannemen, en leren om het al beter en beter te doen.