1 Samuël 19:8-10
1. David gaat voort met goede diensten te bewijzen aan zijn koning en zijn land. Hoewel Saul hem goed met kwaad heeft vergolden, en zijn bruikbaarheid juist de zaak was om welke Saul afgunstig op hem was, heeft hij zich daarom niet in gemelijkheid teruggetrokken en de openbaren dienst geweigerd. Zij, die voor goed doen slecht beloond worden, moeten daarom toch niet vertragen in goeddoen, gedenkende welk een milde weldoener onze hemelse Vader is, zelfs voor de wederhorigen en ondankbaren.
In weerwil van de vele beledigingen, die Saul David heeft aangedaan, vinden wij hem:
a. Even kloekmoedig als altijd om zijn zwaard te gebruiken ten diepste zijns lands, vers 8. Er was weer oorlog uitgebroken met de Filistijnen hetgeen aan David gelegenheid gaf om zich te onderscheiden. Met veel beleid en dapperheid heeft hij hen aangevallen en bleef overwinnaar, velen waren gedood, en de overigen namen de vlucht.
b. Even blijmoedig als altijd zijn harp bespelende ten diepste van zijn vorst. Als Saul weer gekweld werd door vlagen van zijn vorige droefgeestigheid, David speelde op snarenspel met de hand, vers 9. Hij zou gezegd kunnen hebben dat deze dienst nu beneden hem was, maar een nederig Godvruchtig man acht niets beneden zich waarmee hij goed kan doen. Hij zou op het gevaar hebben kunnen wijzen, waarin hij zich bevond, toen hij de laatste maal die dienst voor Saul heeft verricht, Hoofdstuk 18:10. 11. Maar hij had geleerd kwaad met goed te vergelden, en op God te vertrouwen voor zijn veiligheid in de weg des plichts. Zie hoe het David te moede was als zijn vijand leed onder zijn ziekte Psalm 35:1-4, welke woorden wellicht verwijzen naar Sauls ziekte.
2. Saul volhardt in zijn boosaardigheid tegen David. Hij, die nog zo kort tevoren gezworen had bij zijn Maker, dat hij niet gedood zou worden, poogt nu zelf hem te doden. Zo onverzoenlijk, zo ongeneeslijk is de vijandschap van het zaad van de slang tegen het zaad van de vrouw, zo arglistig, ja dodelijk, is het hart des mensen zonder Gods genade, Jeremia 17:9.
Inplaats dat de nieuwe roem, die David in de laatsten oorlog met de Filistijnen had verkregen, gestrekt heeft om Sauls onwil tegen hem te doen ophouden, en zijn verzoening met hem te bevestigen, werd zijn afgunst er opnieuw door opgewekt, en werd hij temeer verbitterd op hem.
En daar hij zich toegaf in die boze hartstocht, is het geen wonder dat de boze geest over hem kwam, vers 9, want, als wij de zon laten ondergaan over onze toornigheid, dan geven wij de duivel plaats, Efeziers 4:26, 27, dan maken wij plaats voor hem, en nodigen hem er in te komen.
Hoewel ontsteltenis van de geest door de werking van Satan bevorderd wordt, heeft zij toch gewoonlijk haar oorsprong in des mensen eigen zonden en dwaasheden. Sauls vrees en jaloersheid maakten hem tot een kwelling van zichzelf, zodat hij niet in zijn huis kon zitten zonder een spies in zijn hand, voorgevende dat hij het deed tot zelfbehoud, maar in werkelijkheid Davids verderf bedoelende, want hij poogde hem aan den wand te spitten, de spies met zo'n kracht naar hem werpende, dat hij haar in de wand sloeg. Zo sterk was de duivel in hem, zo sterk waren zijn eigen woede en hartstocht. Misschien dacht hij dat hij voor God en de mensen te verontschuldigen zou zijn, zo hij hem nu gedood had, als zijnde "non compos mentis niet bij zijn zinnen, en dus niet toerekenbaar". Maar God kan door geen voorwendsels worden bedrogen, hoe gemakkelijk de mensen er zich ook door laten misleiden.
3. God blijft zorg dragen voor David, en waakt nog over hem ten goede. Saul miste zijn slag, David was hem te vlug, en vlood, en door de goede voorzienigheid Gods ontkwam in dienzelfde nacht. Naar deze bewaringen, onder anderen, verwijst David dikwijls in zijn psalmen, als hij zegt dat God zijn schild en rondas is, zijn rots en zijn hoog vertrek, en zijn ziel bevrijd heeft van de dood.