1 Samuël 17:40-47
Thans naderen wij tot die beroemden strijd en hebben in deze verzen de toebereidselen van beide partijen, en wat zij tot elkaar gesproken hebben.
I. De wederzijdse toebereidselen voor deze strijd. De Filistijn was reeds gereed, zoals hij het veertig dagen lang dagelijks geweest is, hij kon wel gaan in zijn wapenrusting, want hij had het genoeg beproefd.
Alleen wordt ons gezegd, dat hij heenging, gaande en naderende tot David, een teken waarschijnlijk gegeven zijnde, dat zijn uitdaging was aangenomen, en alsof hij zijn helm en maliënkolder wantrouwde, ging: zijn schilddrager voor zijn aangezicht, want zijn eigen handen zijn reeds vol daar hij zijn zwaard en spies draagt, vers 45.
Maar van welke wapens en krijgsvoorraad is David voorzien? Van geen andere dan die hij als herder had medegebracht, geen borstharnas, maar een eenvoudig herdersgewaad, geen spies, maar zijn staf, geen zwaard of boog, maar zijn slinger, geen pijlkoker, maar zijn zak, geen pijlen, maar inplaats van deze vijf gladde steentjes, opgeraapt uit de beek, vers 40.
Hieruit bleek dat zijn vertrouwen zuiver en alleen in de macht van God was, en niet in enigerlei genoegzaamheid in zichzelf, en dat nu eindelijk Hij, die het in zijn hart heeft gegeven om met de Filistijn te strijden, het in zijn hoofd heeft gegeven met welke wapenen hij het moest doen.
II. Wat zij tot elkaar gesproken hebben.
Merk op:
1. Hoe zeer trots Goliath was.
a. Met welk een minachting hij neerzag op zijn tegenstander, vers 42. Hij zag op, verwachtende een sterk man van hoge gestalte te zullen zien, maar toen hij zag welk een min voorkomen de man had, met wie hij moest strijden, verachtte hij hem, vrezende dat de nietigheid, het minne, van de kampioen die hij had te bestrijden de glorie zou verminderen van zijn overwinning. Hij nam acht op zijn persoon, zag dat hij een jongeling was, die nog niet tot zijn volle kracht was gekomen, roodachtig en schoon van aanzien, meer geschikt om de maagden Israëls ten dans te leiden, (indien gemengd dansen toen in zwang was) dan de mannen Israëls aan te voeren in de krijg.
Met grote verontwaardiging nam hij nota van zijn rusting, vers 43. "Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? Denkt gij mij even gemakkelijk te slaan, als gij uw herdershond slaat?
b. Met welk een vertrouwen hij rekent op zijn welslagen. Hij vloekte David bij zijn goden, de machteloze wraak van zijn afgoden tegen hem inroepende denkende dat deze vuurballen, die hij om zich heenwierp, zijn succes zouden verzekeren: in vertrouwen hierop, slingert hij dus zijn dreigementen, alsof dreigende woorden konden doden, vers 44. "Kom tot mij, zo zal ik uw vlees de vogelen des hemels geven en de dieren des velde, het zal een malse maaltijd voor hen zijn." Zo zal de gerustheid en verwaandheid van de dwazen hen verderven. 2. Hoe zeer Godvruchtig David was. Er is geen snoeverij in zijn rede, God is er alles in alles in, vers 45-47.
A. Hij ontleent zijn gezag aan God. Ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden Israëls, en daarom Zijn macht zal gebruiken voor haar bescherming, en tegen u, die ze goddelooslijk hebt gehoond." David steunt en betrouwt op de naam Gods zoals Goliath op zijn zwaard en spies. Zie Psalm 20:8, 118:10, 11.
B. Hij rekent op God voor zijn welslagen. David spreekt met evenveel verzekerdheid als Goliath, maar op beteren grond, het is zijn geloof, dat zegt: Te deze dage zal de Heere u besluiten in mijn hand, en niet alleen uw dood lichaam, maar de dode lichamen van van de Filistijnen leger zal aan de vogelen des hemels en de dieren des velds gegeven worden.
C. Hij wijdt al de lof en al de eer aan God. Hij heeft niet, zoals Goliath, zijn eigen eer gezocht, maar de eer van God, niet twijfelende of door het succes van zijn daad:
a. De gehele wereld te weten zal komen, dat er één God is, en dat de God Israëls de ene, enig levende en ware God is, en alle andere zogenaamde goden niets zijn dan ijdelheid en bedrog.
b. Geheel Israël, dat hij niet noemt dit leger, maar deze vergadering, of kerk, omdat zij nu acht gaven op de gangen Gods, huns Konings zoals zij in het heiligdom plachten te doen geheel Israël zal weten, dat de Heere niet door het zwaard noch door de spies verlost, vers 47, maar als het Hem behaagt, zonder dezen, en tegen deze kan verlossen, Psalm 46:10.
David wendt zich tot deze strijd veeleer als een priester, die een offerande aan Gods gerechtigheid gaat offeren, dan als een krijgsman, die de vijand van zijn land slag gaat leveren.