1 Samuël 13:15-23
1. Samuël vertrekt in misnoegen. Saul heeft zelfstandig willen zijn, en nu wordt hij aan zichzelf overgelaten. Samuël ging op van Gilgal, vers 15, en het blijkt niet dat hij met hem gebeden of hem raad gegeven heeft.
Maar door op te gaan naar Gibea Benjamins, dat Sauls stad was, gaf hij te kennen, dat hij hem niet geheel had verlaten, maar daar wachtte, om hem op een andermaal nog vriendelijkheid te betonen.
Of, hij ging naar de profetenschool om daar voor Saul te bidden, toen hij het niet gepast oordeelde om met hem te bidden.
2. Saul volgt hem naar Gibea, monstert er zijn leger, en vindt dat het gehele getal er van slechts zes honderd man bedraagt, vers 15, 16.. Aldus waren zij om hun zonde verminderd.
3. De Filistijnen verwoestten het land, en stelden al de omliggende delen er van op brandschatting. Hun hoofdleger, of blijvend kamp, vers 23, lag in een voordelige stelling te Michmas, maar vandaar zonden zij drie onderscheiden troepen of detachementen uit op verschillende wegen, om het land te plunderen en levensmiddelen te verzamelen voor het leger, vers 17, 18.
Door die troepen kwam het land Israël onder verschrikking en werd het verarmd, de Filistijnen daarentegen werden bemoedigd en verrijkt. "Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël den rovers? Is het niet de HEERE, Hij tegen Wien wij gezondigd hebben?," Jesaja 42:24.
4. De Israëlieten, die met Saul te velde trokken, waren ontwapend, hadden slechts slingers en knuppels, maar geen zwaard of spies onder hen, behalve die Saul en Jonathan zelf hadden, vers 19-22 Zie hier:
a. Hoe staatkundig de Filistijnen waren als zij de macht in handen hadden, en hoe zij naar welgevallen met Israël handelden. Zij deden alle smidsen weg, en brachten de smeden naar hun eigen land over en verboden aan alle Israëlieten onder bedreiging van zware straffen, om het beroep van smid uit te oefenen, in ijzer of koper te werken, hoewel zij van beide rijke mijnen bezaten Deuteronomium 8:9.
Dit was listig aangelegd door de Filistijnen, want hierdoor hebben zij niet alleen het volk van Israël belet om zich oorlogswapens te vervaardigen, (waardoor zij aan de wapenhandel ontwend raakten, en onvoorzien waren van wapens, als zij ze nodig hadden) maar hen ook afhankelijk van hen gemaakt zelfs voor de landbouwwerktuigen,
zij moesten tot hen gaan, dat is: naar het een of ander hunner garnizoenen, die over het land verspreid waren, om er al hun ijzeren gereedschappen te laten maken en in orde houden, een Israëliet mocht niets anders dan een vijl gebruiken, vers 20, 21 en ongetwijfeld zonden de Filistijnse smeden nog grote rekeningen aan de Israëlieten voor het werk, dat zij voor hen deden.
b. Hoe onstaatkundig Saul was, dat hij er zich in het begin van zijn regering niet toe zette om deze grief te herstellen. Dat Samuël het niet deed, was te verontschuldigen, hij streed met andere wapens, donder en bliksem in verhoring van zijn gebed, waren hem in de plaats van zwaard en spies, maar dat Saul, die er aanspraak op maakte een koning te zijn zoals de koningen van de volken, zijn soldaten zonder zwaard en spies liet, niet gezorgd heeft om hen er van te voorzien, inzonderheid toen hij dit gekund had uit de buit van de Ammonieten, die hij in het begin van zijn regering verslagen en overwonnen heeft dat was een verzuim, hetwelk niet verontschuldigd kon worden.
c. Hoe traag en laf de Israëlieten waren, die aan de Filistijnen toelieten om hun dit op te leggen, en geen gedachte of moed hadden om er zich tegen te verzetten. Het werd geacht zeer slecht te staan met Israël, toen er onder veertig duizend in Israël schild noch spies gezien werd, Richteren 5:8, en thans was het niet beter, nu er geen Israëliet gezien werd met een zwaard aan zijn zijde, behalve de koning en zijn zoon, maar geen krijgsman, geen man van aanzien had er een.
Zij werden zeker hiertoe gebracht, of begonnen er toe gebracht te worden, in de tijd van Simson, want hem vinden wij nooit met een zwaard of spies in zijn hand. Indien zij niet moedeloos weren geworden, zij zouden niet ontwapend zijn geworden, maar het was zonde, die hen ontbloot heeft tot hun schande.