1 Samuël 11:1-4
De Ammonieten waren slechte naburen voor die stammen Israëls, die in hun nabijheid lagen, hoewel zij nakomelingen waren van de rechtvaardigen Lot, en dieswege door Israël met onderscheiding werden behandeld.
Zie Deuteronomium 2:19. Jeftha had hen in zijn tijd vernederd en tenonder gebracht, maar nu had de zonde van Israël hen instaat gesteld hun weer het hoofd te bieden, en die twist te wreken. De stad in Gilead was enige eeuwen geleden verwoest door het zwaard van Israëls gerechtigheid wegens haar niet optreden tegen de goddeloosheid van Gibea, Richteren 21:10,, en nu, weer bevolkt zijnde waarschijnlijk door de nakomelingen van hen, die toen aan het zwaard ontkomen waren, is zij alsof er een noodlot over de plaats hing-in gevaar van verwoest te worden door de Ammonieten.
Nahas, koning van de kinderen Ammons, I Kronieken 19:1, sloeg er het beleg voor.
1. De belegerden onderhandelen over de overgave, vers 1. "Maak een verbond met ons, en wij zullen ons op eervolle voorwaarden onderwerpen, en u dienen." Zij hadden de kracht en deugd van Israëlieten verloren, want anders zouden zij de kloekmoedigheid van Israëlieten niet verloren hebben, noch zich gedwee willen overgeven om een Ammoniet te dienen, zonder een enkele stoutmoedige poging gewaagd te hebben om hem het hoofd te bieden. Hadden zij het verbond met God niet verbroken, Zijn dienst niet verlaten, zij zouden niet aldus om een verbond behoeven te bedelen, met een heidens volk, waarbij zij zich aanboden om hen te dienen.
2. De belegeraars bieden hun eerloze en barbaarse voorwaarden aan, zij zullen hun leven sparen, op voorwaarde dat zij hun het rechteroog uitsteken, vers 2.
De Gileadieten namen er genoegen mee om hun vrijheid en hun goederen te verliezen, om daardoor hun leven te behouden. Hadden de Ammonieten hen aan hun woord gehouden, de zaak zou terstond tot beslissing zijn gekomen, en de Gileadieten zouden geen hulp hebben gevraagd aan hun broederen.
Maar hun lafhartig toegeven maakte de Ammonieten des te meer beledigend in hun eisen, het is hun niet genoeg hen tot hun dienstknechten te hebben, maar:
a. Zij moeten hen pijnigen door hun een oog uit te steken.
b. Zij moeten hen ongeschikt maken voor de krijg, hen onbekwaam maken, niet om te arbeiden (dat zou schade hebben veroorzaakt aan hun heren) maar om de wapens te dragen, want in die tijden streden zij met schilden aan hun linkerhand, die hun linkeroog bedekten, zodat een soldaat zonder zijn rechteroog feitelijk blind was.
c. Zij moeten schande leggen op geheel Israël, als zwak en lafhartig, daar zij toelieten, dat de inwoners van een hunner voornaamste steden aldus mishandeld werden, en niet poogden hen te redden. 3. De belegerden vragen en verkrijgen zeven dagen om dit voorstel in beraad te nemen, vers 3. Indien Nahas hun dit uitstel niet had toegestaan, dat kunnen wij onderstellen, dat het afschuwelijke van zijn voorstel hen wanhopig had gemaakt, en zij liever met het zwaard in de hand zouden gestorven zijn, dan zich aan zulke onbarmhartige vijanden over te geven. Daarom heeft Nahas, het niet mogelijk achtende dat zij in zo korten tijd hulp konden verkrijgen, en zich volkomen zeker wanende van zijn voordeel over hen, in snoeverij, de zeven dagen gegeven, opdat de schande van Israël, dat hen niet verloste, zoveel groter zou zijn, en zijn overwinning des te meer schitterend. Maar het was de leiding van Gods voorzienigheid, dat hij zich zo gerust en veilig waande, opdat die gerustheid zijn verderf zou wezen.
4. Hiervan wordt bericht gezonden naar Gibea. Zij zeiden dat zij boden wilden zenden in al de landpalen van Israël, vers 3, hetgeen Nahas des te meer gerust deed zijn, want dat, dacht hij, zou een werk van tijd wezen, en niemand zou genegen zijn om te verschijnen indien zij niet een algemeen opperhoofd hadden. Nahas had wellicht nog niet gehoord, dat zij zich juist een koning hadden verkoren. Maar de boden zijn, hetzij uit eigen beweging of op bevel van hun meesters, regelrecht naar Gibea gegaan en, Saul niet tehuis vindende hebben zij hun bericht aan het volk meegedeeld, dat daarop in wenen uitbarstte, vers 4. Zij wilden eerder de ellende hunner broederen bewenen, dan er aan te denken hun te hulp te snellen, hun tranen voor hen storten dan hun bloed. Zij weenden, als wanhopende om de mannen van Jabes in Gilead te hulp te komen, en vrezende dat, zo die grensstad verloren was, de vijand tot in het hart huns lands zou doordringen, hetwelk nu in zeer groot gevaar scheen te zijn.