1 Samuël 10:17-27
Sauls verheffing ten troon wordt hier openlijk bekend gemaakt in een algemene vergadering van de oudsten van Israël te Mizpa, als de vertegenwoordigers hunner onderscheiden stammen.
Waarschijnlijk werd deze bijeenkomst van de staten zo spoedig mogelijk belegd nadat Saul gezalfd was, want zo er een verandering in hun regering moest plaatshebben, dan moest dit maar hoe eerder hoe beter geschieden, het zou slechte gevolgen kunnen hebben indien er veel tijd over heenging. Het volk is saamgekomen in een plechtige vergadering, waarin God op bijzondere wijze tegenwoordig was (weshalve gezegd wordt, dat zij samengeroepen worden tot de Heere). Samuël handelt voor God onder hen.
I. Hij bestraft hen wegens hun verwerping van de regering door een profeet, en hun begeerte naar een aanvoerder, een koning. Hij toont hun, vers 18, hoe gelukkig zij geweest zijn onder de Goddelijke regering, toen God hen bestuurde,
Hij verloste hen uit de hand van hen, die hen verdrukten, wat konden zij meer begeren? Kon de machtigste held voor hen doen wat de Almachtige voor hen gedaan heeft?
Hij toont hun ook, vers 19, welk een belediging zij God hebben aangedaan, (die zelf door Zijn eigen macht hen uit al hun ellenden en noden verlost heeft, alsmede door hen, die Hij daartoe onmiddellijk geroepen en bekwaam gemaakt heeft) in een koning te begeren om hen te verlossen.
Hij zegt hun duidelijk en onomwonden: "Gijlieden hebt heden uw God verworpen, gij hebt dit feitelijk gedaan, dit werkelijk gedaan, aldus verklaart Hij het, aldus neemt Hij het op, en Hij zou u rechtvaardiglijk hierom kunnen verwerpen."
Zij, die beter kunnen leven door de zinnen dan door het geloof, die liever op een vlesen arm steunen, dan op de arm des Almachtigen, verlaten een fontein van levend water voor gebroken waterbakken. En sommigen zien in hun hardnekkigheid in deze zaak het voorteken van hun verwerping van Christus in wie te verwerpen zij God hebben verworpen, dat Hij niet over hen zal heersen.
II. Hij liet hen er nu toe overgaan om hun koning te verkiezen door het lot.
Hij wist wie God had verkoren, en hij had hem reeds gezalfd, maar hij kende ook de neiging tot murmureren van het volk, en dat er onder hen waren, die niet zouden berusten in de keus indien zij alleen op zijn getuigenis steunde teneinde dus iederen stam, en elk geslacht van de verkoren stam het genoegen te geven van een kans te hebben, laat hij hen het lot werpen, vers 19.
Uit al de stammen wordt Benjamin geraakt, vers 20, en uit die stam Saul, de zoon van Kis, vers 21.
Uit deze methode zal het blijken aan het volk, wat reeds gebleken is aan Samuël, dat Saul door God bestemd was om koning te zijn, want het lot wordt in de schoot geworpen, maar het gehele beleid daarvan is van de HEERE. Dit zal ook alle twistingen en tegenwerpingen voorkomen, want het lot doet de geschillen ophouden en maakt scheiding tussen machtigen. Toen de stam van Benjamin geraakt was, konden zij gemakkelijk voorzien, dat zij een geslacht gingen verheffen, dat spoedig weer van zijn hoogte zou afkomen, want de stervende Jakob had voorzegd, door de geest van de profetie gedreven zijnde, dat de heerschappij aan Juda zou komen, dat is de stam, die zal "heersen als een leeuw, Benjamin zal slechts verscheuren als een wolf", Genesis 49:10, 27.
Diegenen dus, die de Schrift kenden, konden niet zeer ingenomen zijn met het doen van hetgeen weldra weer ongedaan gemaakt zal worden.
III. Het is met veel moeite, en niet zonder de Heere verder te vragen, dat Saul eindelijk tevoorschijn wordt gebracht.
Toen het lot op hem viel, verwachtte ieder dat hij zou antwoorden nu zijn naam afgeroepen werd, maar inplaats daarvan wisten zijn vrienden niet eens waar hij was, en konden zij hem niet vinden vers 21, hij had zich tussen de vaten verstoken, vers 22.
Zo weinig was hij nu ingenomen met de macht, maar toen hij haar bezat was het blote denkbeeld om er van te scheiden hem ondraaglijk. Hij had zich teruggetrokken in de hoop, dat men bij zijn niet- verschijning tot een andere keus zou overgaan, of om aldus zijn bescheidenheid te tonen, want uit hetgeen reeds geschied was, wist hij dat hij de man moest wezen. Wij kunnen onderstellen dat hij er toen wezenlijk afkerig van was om de regering op zich te nemen:
1. Omdat hij zich bewust was ongeschikt te zijn voor zo groot en gewichtig een ambt. Hij was niet opgeleid voor geleerdheid, of voor de krijg, of voor het recht, en hij vreesde de een of andere noodlottige vergissing te begaan.
2. Omdat het hem zou blootstellen aan de nijd van zijn naburen, die hem kwalijk gezind waren.
3. Omdat hij uit hetgeen Samuël hem gezegd had begreep dat het volk zondigde met een koning te vragen, en het in toorn was, dat God hun hun verzoek toestond.
4. Omdat het toen slecht stond met Israëls staat van zaken, de Filistijnen waren sterk, de Ammonieten dreigend, en hij moet voorwaar wel een stoutmoedig man zijn, die onder zeil gaat in een storm.
Maar de vergadering, gelovende dat de keus goed moet zijn, die door God zelf gedaan was, wilde niets onbeproefd laten om hem te vinden, op wie het lot gevallen was. Zij vroegen de HEERE, hetzij door de hogepriester en zijn borstlap des gerichts, of door Samuël en zijn geest van de profetie, en de Heere zei hun waar zij hem konden vinden, verborgen tussen de vaten, en zij liepen en namen hem vandaar vers 23. Niemand zal in het einde door zijn nederigheid en bescheidenheid iets verliezen. Eer, gelijk de schaduw, volgt hen die van haar vlieden, maar vliedt van hen die haar najagen.
IV. Samuël stelt hem voor aan het volk, en zij nemen hem aan. Hij behoefde op geen bank of verhevenheid te gaan staan, staande op gelijke bodem met hen, steekt hij ver boven hen uit, want hij was hoger dan al het volk van zijn schouder en opwaarts, vers 23. "Ziet," zegt Samuël, "welk een koning God voor u verkoren heeft, juist zo'n als gij begeerd hebt, gelijk hij is er niemand onder het gehele volk, die zoveel majesteit in zijn gelaat, zoveel statigheid heeft in zijn voorkomen, hij staat onder de menigte als een ceder onder struikgewas.
Laat uw eigen ogen oordelen, is hij niet een kloek en prachtig man?" Hierop geeft het volk zijn goedkeuring te kennen van de keus, zij juichten en zeiden: de koning leve! dat is: "lang moge hij ons regeren in gezondheid en voorspoed."
Onderdanen plachten hun genegenheid en trouw aan hun vorst te kennen te geven door hun goede wensen, en deze werden hier in een bede aan God verkeerd, Psalm 72:15. "Men zal geduriglijk voor hem bidden". Zie Psalm 20:2.
Samuël had hun gezegd, dat zij hun koning spoedig moede zullen zijn, maar in de stemming waarin zij nu zijn, denken zij dat zij hem nooit moede zullen worden: de koning leve!
V. Samuël stelt het oorspronkelijke contract tussen hen vast, en brengt het in geschrifte, vers 25.
Hij had hun tevoren gezegd wat des konings wijze zal zijn, Hoofdstuk 8:11, hoe hij zijn macht zal misbruiken nu sprak hij tot het volk het recht des koninkrijks, of liever de wet of de inrichting er van, welke macht de koning kon eisen, en welk recht de onderdanen konden vorderen.
Hij stelde de grenzen tussen hen vast, opdat zij geen inbreuk zouden maken op elkanders rechten. Laat hen eerst elkaar goed verstaan, en laat de overeenkomst tussen hen in zwart op wit wezen, dat zal dan de goede verstandhouding tussen hen duurzaam maken.
De geleerde bisschop Patrick denkt, dat hij nu herhaalde en in geschrifte bracht wat hij hun gezegd had, Hoofdstuk 8:11, van de willekeurige macht, die hun koningen zich zouden aanmatigen, opdat dit later een getuigenis tegen hen zou wezen, dat zij die ramp zelf over zich gebracht hadden, want hun was vooruit gezegd waartoe het komen zou, en toch wilden zij een koning hebben.
Vl. Toen de plechtigheid voorbij was, werd de vergadering ontbonden. Samuël liet het gehele volk gaan, elk naar zijn huis. Hier werd geen stemming gehouden, en, voorzoveel blijkt.
Niet eens een voorstel gedaan om geld te heffen om de waardigheid van hun pas verkoren koning op te houden, indien hij het dus later gepast oordeelt om te nemen, wat zij niet gepast achten hem te geven, (en dat hij toch noodzakelijk hebben moest) dan hebben zij dit aan zichzelf te danken.
Zij gingen, elk naar zijn huis, genoegen vindende in de naam van een koning over hen, en Saul ging ook naar zijn huis te Gibea, naar het huis zijns vaders, niet opgeblazen door de naam van een koninkrijk onder hem.
Te Gibea had hij geen paleis, geen boon, geen hof, toch gaat hij daarheen. Als hij koning moet zijn, dan zal hij, gedenkende aan de rotssteen, waar hij uit gehouwen was, zijn eigen stad tot koninklijke stad maken, ook zal hij zich van zijn geringe bloedverwanten niet schamen, zoals maar al te velen doen als zij tot grootheid zijn gekomen. Zulk een nederige gemoedsgesteldheid zet schoonheid en luister bij aan grote bevordering. De staat verhoogd, en de geest, de gemoedsgesteldheid niet hoog maar klein blijvende, zie hoe goed en lieflijk het is!
Maar hoe was het volk jegens hun nieuwen koning gezind? De meerderheid scheen niet veel belangstelling in hem te hebben, zij gingen elk naar zijn huis, hun eigen huiselijke aangelegenheden schenen hun meer ter harte te gaan dan de belangen van het algemeen, dit was de algemene gezindheid. Maar.
1. Er waren sommigen zo getrouw, dat zij hem vergezelden, vers 26.. van het heir gingen met hem, welker hart God geroerd had.
Niet het gros van het volk, maar een kleine groep, die, hetzij omdat zij ingenomen waren met hun eigen keus van een koning te hebben, of omdat Gods keus van deze koning hun behaagde, of omdat zij zoveel verstandiger waren dan hun naburen, dat zij beseften dat, zo er een koning was, men hem eerbied behoorde te tonen, ging met hem naar Gibea als zijn lijfwacht.
Het waren degenen wier hart God geroerd had, om hierin hun plicht te doen. Alle goed, dat in ons is, of dat te eniger tijd door ons gedaan wordt, moet aan de genade Gods worden toegeschreven. Als het hart zich neigt naar de rechten weg, dan is het, omdat Hij het heeft geroerd. Ene aanraking is genoeg, als zij Goddelijk is.
2. Er waren anderen, die zo nijdig en boosaardig waren, dat zij hem beledigden, kinderen Belials, mannen die geen juk wilden dragen aan wie niets kop behagen van hetgeen God of Samuël deed. Zij verachtten hem, vers 27 wegens de geringheid van zijn stam en geslacht, de kleinheid van zijn bezitting, de afzondering waarin hij was opgevoed.
Wat zou ons deze verlossen? zeiden zij. Zij kwamen niet voor de dag, met iemand die daar meer geschiktheid voor had, maar, wie zij ook hadden, hun verlossing moest toch niet komen van de mens, maar van God. Zij wilden zich niet verenigen met hun naburen om genegenheid te betonen voor hem en zijn regering door hem geschenken te brengen, of hem gelukwensen aan te bieden bij zijn komst tot de troon.
Misschien waren deze ontevredenen het ijverigst geweest om een koning te begeren, maar nu zij er een hadden twistten zij met hem, omdat hij niet geheel en al was zoals zij waren.
Voor hen was het reden genoeg om een tegenzin in hem te hebben, dat anderen met hem ingenomen waren.
Even verschillend zijn de mensen gezind jegens onze verhoogden Verlosser.
God heeft Hem op de heiligen berg Zion tot Koning gesteld.
Er is een overblijfsel, dat zich aan Hem onderwerpt, Hem geschenken brengt Hem volgt waar Hij ook heengaat, en het zijn dezulken wier hart God geroerd heeft, die Hij gewillig heeft gemaakt ten dage van Zijn heirkracht. Maar er zijn anderen, die Hem verachten en vragen: Wat zou deze ons verlossen? Zij zijn aan Hem geërgerd, nemen aanstoot aan Zijn uiterlijke geringheid, en zij zullen er door verpletterd worden.
Eindelijk. Hoe heeft Saul het slechte gedrag opgenomen van hen, die ontevreden waren met zijn koningschap? Hij zweeg stil of hij was als doof.
Hij was er zó ver af om er vertoornd om te zijn, dat hij het niet eens scheen op te merken. Hetgeen zowel een bewijs was van zijn nederigheid en bescheidenheid, als van zijn barmhartigen gemoedsaard, en ook daarvan, dat hij overtuigd was van zijn recht op de kroon, want diegenen zijn gewoonlijk het meest bevreesd, dat men hun eer te na komt en het wraakgierigst wegens hun aangedane beledigingen, die hun macht door onwettige middelen hebben verkregen. Christus zweeg stil, toen Hij beledigd werd, want het was de dag van Zijn lankmoedigheid, maar een dag van vergelding staat te komen.