1 Kronieken 9:14-34
Wij hebben hier een nader bericht van de goede staat, waarin terstond na hun terugkomst uit Babel, de zaken van de Godsdienst gebracht werden. Zij hadden geboet voor hun vorige veronachtzaming van de inzettingen, en hadden geleden onder de ontbering van de inzettingen gedurende hun ballingschap, en dit maakte hen nu ijverig en voortvarend om de dienst van God te regelen en in goede orde te brengen, en zo vatten zij het werk van de rechte zijde aan. Hier hebben wij er voorbeelden van.
1. Voordat het huis des Heeren gebouwd was, hadden zij het huis van de tabernakel, een eenvoudige, verplaatsbare tent, waarvan zij gebruik maakten totdat de tempel gebouwd was. Zij, die geen tempel kunnen hebben, moeten toch niet zonder tabernakel zijn, maar dankbaar zijn die te hebben en er het beste gebruik van maken. Nooit moet Gods werk ongedaan blijven vanwege gebrek aan een plaats om het te doen.
2. Bij het toewijzen van hun werk aan de priesters en Levieten hadden zij het oog op het model, aangegeven door David en door Samuël de ziener, vers 22.
Samuël had er in zijn tij het ontwerp van gemaakt en er de grondslagen voor gelegd, hoewel de ark toen in een afgelegen plaats verbleef, en David heeft het later voltooid, beide deden het onder de onmiddellijke leiding van God.
Of wel, David heeft, zodra hij gezalfd was, die zaak in zijn hart gehad en er Samuël over geraadpleegd hoewel hij toen in benauwdheid en moeite was en het plan werd in overleg met elkaar gevormd. Misschien werd gedurende veel eeuwen hier weinig acht op geslagen, maar nu wordt het na een lange tusschenpoos weer ter hand genomen. Bij de verdeling des werks hebben zij op die aloude bakens het oog gericht.
3. De meesten van hen woonden te Jeruzalem, vers 34, maar er waren sommigen, die in de dorpen woonden, vers 16, 22.
Misschien, omdat er te Jeruzalem geen plaats voor hen was, zij werden echter wel gebruikt in de dienst van de tabernakel, vers 25.
Zij waren inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd. Zij hadden bij beurten hun week dienst.
4. Velen van de Levieten werden gebruikt als portiers aan de deuren van Gods huis, vier hoofdportiers, vers 26, en onder hen een getal van tweehonderd en twaalf, vers 22.
Zij hadden het opzicht over `de poorten', vers 23, waren `dorpelwachters' en `bewaarders van de ingang'. Dit scheen een gering ambt, maar David zou het liever gehad hebben dan "te wonen in de tenten van de goddelozen", Psalm 84:11, Hun dienst bestond in:
a. Iedere morgen de deuren van Gods huis te openen, vers 27, en ze des avonds te sluiten. b. In het weren van alle onreinen, en het indringen te beletten van hen, aan wie door de wet was verboden binnen te komen.
c. Hen, die kwamen om te aanbidden, in de voorhoven des Heeren in te leiden, hun te zeggen waar zij moesten gaan en wat zij moesten doen ten einde zich aan geen straf bloot te stellen. Dit vereiste zorg en voortdurende oplettendheid. Evangeliedienaren hebben werk van die soort te verrichten.
5. Hier is een zekere Pinehas, een zoon van Eleazar, die tevoren een voorganger bij hen was vers 20, niet de vermaarde hogepriester van die naam, maar-naar verondersteld wordt-een uitnemende Leviet, van wie hier gezegd wordt dat de Heere met hem was, of zoals de lezing is van de Chaldeër: `het woord des Heeren was zijn helper', het eeuwige Woord, hetwelk is Jehova de Almachtige, bij wie hulp besteld is. Psalm 89:20.
6. Van sommigen hunner wordt gezegd dat zij, omdat de wacht op hen was, over nacht rondom het huis Gods bleven, vers 27.
Het is goed voor de dienaren van de Godsdienst om dicht bij hun werk te wezen, opdat zij er zich ten volle aan kunnen geven. Op hun tocht door de woestijn legerden de Levieten zich rondom de tabernakel.
Toen waren zij dragers, daar zij de lasten van het heiligdom droegen, nu waren zij poortiers wakende aan de poorten en deuren-en in dezelfde bedieningen namen zij de wacht waar van het heiligdom.
7. leder kende zijn last:
Sommigen waren belast met het opzicht over de heilige vaten om ze bij getal in en uit te dragen vers 28, anderen waren belast met het bereiden van het meelbloem, de wijn, de olie, enz, vers 29, anderen, die priesters waren, moesten de heilige zalfolie maken, vers 30 , anderen droegen zorg voor de spijsoffers, vers 31 , anderen voor de toonbroden, vers 32.
Evenals in andere grote huizen, zo zal ook in Gods huis het werk waarschijnlijk goed gedaan worden, als ieder de plicht kent van zijn plaats, en er zijn werk zijn zaak van maakt. God is de God van orde, maar wat ieders werk is zal gewoonlijk niemands werk wezen.
8. De zangers werden dag en nacht in dat werk gebruikt, vers 33..
Zij waren hoofden van de vaderen onder de Levieten, die in dat werk waren, geen gewone zangers, die er een broodwinning van maakten. Zij bleven in de kamers van de tempel om er voortdurend en ijverig de dienst waar te nemen, en daarom waren zij van alle andere dienst vrijgesteld.
Sommige groepen schijnen voortdurend gezongen te hebben, tenminste op vastgestelde uren bij dag en bij nacht. Aldus werd God voortdurend geloofd zoals het betaamt dat Hij geloofd wordt, die voortdurend goed doet. Zo konden Godvruchtige mensen ten allen tijde hulp verkrijgen voor hun beoefening van de Godsvrucht. Zo was die tempel een beeld van de hemelsen tempel waar zij geen rust hebben dag en nacht van God te loven, Openbaring 4:8. "Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen, zij prijzen U gestadiglijk".