18. Daartoe het deksel van de sabbat, 1) dat zij in het huis, in de voorhof van de tempel gebouwd hadden, de stoel van de koning, die met een deksel voorzien was ter bescherming tegen het weer en de zon, en door de koning werd in genomen, wanneer hij met zijn gevolg op de sabbat de tempel bezocht (
1 Koningen 8:22), en de buitenste in- of opgang van de koning, die van zijn paleis op Sion naar de tempel op Moria leidde (
1 Koningen 10:12), nam hij weg van het huis van de HEERE, vanwege of uit vrees voor de koning van Assyrië. 2)
1) In het Hebreeuws Moesak. Het eerste woord wordt afgeleid van een werkwoord, dat bedekken betekent. Wij moeten dus hieronder verstaan, een bedekte plaats voor de koning, wanneer deze op de Sabbat in de Voorhof zich bevond..
2) De in Vers 17 vermelde gewelddadigheden deed Achaz wel met het doel om een ander lokaal, b.v. zijn koninklijke paleis met die kunstwerken te versieren. Nu is wel bij de hervormingen, die de koningen Hizkia en Josia uitvoerden ( 18:4; 23:4vv.) niet vermeld, of zij het weggenomene van de tempel teruggegeven hebben, maar de tien stellingen en de koperen zee met de 12 runderen waren ten tijde van Nebukadnezar nog voorhanden, en werden bij de verwoesting van Jeruzalem door de Chaldeeën vernield en als koper naar Babylon gevoerd ( 25:13vv. Jeremia 27:19vv.; 52:17vv.). Wat daarentegen de beide kunstwerken in Vers 18 aangaat, zo nam Achaz die weg en plaatste ze boven in de kamers van het tempelgebouw (1 Koningen 6:5vv.) om ze aan het oog van de Assyrische koning te onttrekken, als hij naar Jeruzalem mocht komen om zich aan hem niet te doen kennen als een vereerder van de HEERE. Bij al zijn neiging tot afgoderij namelijk nam Achaz, zoals uit vers 15 blijkt, gedurende de eerste tijd van zijn regering nog deel aan de bij de wet verordende godsdienst; pas later sloot hij de tempel en richtte hij overal altaren en hoogten op (2 Kronieken 28:24vv.). Maar hij vreesde de vriendschap van Tiglath-Pilezer te verspelen, indien hij deze iets van zijn dienst van de HEERE zou laten merken, en overeenkomstig zijn huichelachtig en onrein karakter, wilde hij bij hem geheel voor een aanhanger van zijn afgodsdienst doorgaan, waarom hij ook de in 23:11vv. aangeduide, bij de Over-Aziatische zonnedienst passende zaken instelde. Uit 2 Kronieken 28:20vv. zien wij, dat noch deze ogendienst, noch de wegneming van de schatten uit tempel en het huis van de koning, waarmee hij zijn Assyrisch bondgenootschap tegen Rezin en Pekah gekocht had, hem iets hielp; want wat Tiglath-Pilezer tegen Syrië en Israël ondernam, deed hij niet in het belang van Achaz, maar in dat van zijn eigen wereldheerschappij, waarom hij hem ook evenmin hielp om de Edomieten en Filistijnen weer aan zich te onderwerpen, als dat hij hem zijn verliezen vergoedde met gedeelten van het Syrische of Efraïmitische gebied. Integendeel, nadat hij het Syrische koningshuis had doen ophouden, en aan het rijk van Israël het Oost-Jordaanland en Noord-Galilea had afgenomen, maar van verdere vijandelijkheden tegen dit rijk zeker door betaling van schatting was teruggehouden, trad hij als vijand tegen Juda op, en rukte tot op Jeruzalem aan. Waarom hij de stad niet in handen kon krijgen, kan niet bepaald worden, omdat nadere berichten ontbreken; misschien noopte Assyrië's staatkundige toestand hem tot een snelle aftocht. Nochtans kan hij vooraf Achaz ook voor de toekomst onder zich schatplichtig gemaakt hebben; waarom wij Hizkia, Achaz' opvolger, reeds van het begin van zijn regering af, van Assyrië afhankelijk zien ( 18:14).
Zij, die tot believen van mensen en tot genieting van de goederen van de wereld zich van Gods huis en zijn dienst afwenden, banen zich de weg tot dwaling en allerlei goddeloosheid, en tot een gewisse en verschrikkelijke ondergang..