Numeri 2:1-2
Hier is het algemene bevel, gegeven zowel voor hun ordelijke regeling als zij rustten, en voor hun ordelijker gang, als zij optrokken. Waarschijnlijk was er totnutoe ook wel enige orde onder hen geweest, zij togen bij vijven uit Egypteland, Exodus 13:18, maar nu werden zij naar een beter voorbeeld gerangschikt.
1. Allen woonden zij in tenten, en als zij optrokken, droegen zij allen hun tenten mee, want zij "vonden geen stad ter woning" Psalm 107:4. Dit is een voorstelling van onze toestand in deze wereld, het is een beweeglijke toestand (heden zijn wij hier, morgen zijn wij weg) en het is een militaire toestand. Heeft niet de mens een strijd op aarde? Wij slaan slechts onze tenten op in deze wereld, en hebben er geen blijvende stad in. Laat ons dus, zolang wij in deze wereld zijn, voorwaarts streven, om er door heen te komen.
2. Die van een stam waren, moesten zich bij elkaar legeren, een ieder onder zijn banier. Het is de wil van God, dat wederzijdse liefde omgang en gemeenschapsoefening onderhouden worden onder bloedverwanten. Zij, die aan elkaar verwant zijn, moeten zoveel zij kunnen met elkaar bekend zijn, en de banden van de natuur moeten gebruikt worden, om de banden van de Christelijke gemeenschap te versterken.
3. Iedereen moet zijn plaats kennen en er in blijven, het was hun niet veroorloofd, zich te legeren waar het hun behaagde, noch op te trekken wanneer zij wilden, God legert hen met de last in hun kwartieren te blijven. Het is God, die de bepalingen van onze woning bescheiden heeft, en aan Hem moeten wij ons houden. Hij "verkiest" "voor ons onze erfenis," Psalm 47:5, en in Zijn keus moeten wij berusten, en niet altijd heen en weer willen gaan, niet zijn als een vogel, die uit zijn nest omdoolt.
4. Iedere stam had zijn standaard, vlag, of banier, en ieder geslacht schijnt ook zijn bijzonder onderscheidingsteken gehad te hebben naar het huis van zijn vaderen, dat gedragen werd zoals bij ons de vaandels gedragen worden van iedere compagnie in een regiment. Dezen waren nuttig ter onderscheiding van de stammen en geslachten, en de bijeenvergadering en bijeenhouding er van. In toespeling hierop wordt van de prediking van het Evangelie gezegd, dat zij het oprichten zal zijn van een banier, waarnaar de heidenen zullen vragen, en waaronder zij zich zullen legeren, Jesaja 11:10, 12. God is een God van orde, en niet van verwarring. Deze banieren maakten dit machtige leger schoner en heerlijker voor zijn vrienden en geduchter voor zijn vijanden. Van de kerk van Christus wordt gezegd, dat zij "geducht is" "als krijgscharen met banieren," Hooglied 6:10. Het is niet zeker, hoe die banieren van elkaar onderscheiden waren, sommigen maken de gissing, dat de banier van iedere stam van dezelfde kleur was als het edelgesteente, waarin de naam van die stam gegraveerd was, en die op de borstlap van de hogepriester was bevestigd, en dat dit het enige verschil tussen haar was. Velen van de hedendaagse Joden denken dat op iedere banier een wapenschild geschilderd was, dat betrekking had op de zegen van Jakob over die stam. De banier van Juda droeg een leeuw, die van Dan een slang, die van Nafthali een hinde, die van Benjamin een wolf, enz. Sommigen van hen zeggen dat de vier voornaamste banieren waren: voor Juda een leeuw, voor Ruben een man, voor Jozef een os en voor Dan een arend, waarop zij dan Ezechiëls visioen doen slaan. Anderen zeggen dat de naam van iedere stam op zijn banier geschreven stond. Hoe dit nu zij, ongetwijfeld hebben zij gediend tot kenmerk en aanwijzing. 5. Zij moesten zich legeren rondom de tabernakel, die in hun midden opgericht moest zijn zoals de tent van een generaal in het centrum van zijn leger. Zij moesten er zich om heen legeren:
a. Opdat hij hun allen tot troost en blijdschap zou wezen, daar hij een teken was van Gods genaderijke tegenwoordigheid onder hen, Psalm 46:6. "God is in het midden van haar, zij zal niet" "wankelen." Hun leger had alle reden om kloekmoedig te zijn als God in hun midden was, als zij alle dagen brood van de hemel, rondom hun leger vonden en vuur van de hemel hadden met andere tekenen van Gods gunst, want dit alles was meer dan genoeg om een antwoord te geven op de vraag: Is de Heere onder ons, of niet? Welgelukzalig zijt gij, o Israël! Het is waarschijnlijk dat de deuren van al hun tenten aan alle zijden naar de tabernakel gekeerd waren, want ieder Israëliet moest steeds zijn ogen op de Heere gericht houden, daarom aanbaden zij aan de deur van de tent. De tabernakel was in het midden van het leger, opdat hij in aller nabijheid zou zijn, want het is zeer begerenswaardig om de plechtige bediening van de heilige inzettingen nabij ons en onder ons bereik te hebben. "Het koninkrijk Gods is binnen" "ulieden," Lukas 17:21.
b. Opdat zij naar alle zijden een wacht en bescherming zouden wezen voor de tabernakel en voor de Levieten. Geen indringer kon nabij Gods tabernakel komen, zonder eerst door de menigte van hun legerafdelingen te zijn gedrongen. Als God de bescherming van onze vertroosting en genietingen op zich neemt, dan betaamt het ons voor Zijn inzettingen te waken Zijn eer Zijn belangen en Zijn dienstknechten te beschermen.
6. Zij moesten zich van verre legeren, uit eerbied voor het heiligdom, opdat er geen gedrang zou zijn onder hen, en opdat de gewone zaken van het leger geen hinder zouden veroorzaken voor het heiligdom. Hen werd ook geleerd om op een eerbiedige afstand te blijven, opdat al te grote gemeenzaamheid geen minachting zou teweegbrengen. Er wordt verondersteld, (op grond van Jozua 3:4) dat de afstand tussen het naaste deel van het leger en de tabernakel (of misschien tussen hen en het kamp van de Levieten, die zich in de nabijheid van de tabernakel legerden) ongeveer twee duizend van hun ellen was, iets meer dan tien minuten gaans, maar de buitenste zijden van het leger moesten veel verder af zijn. Sommigen berekenen dat de gehele omvang van hun legerkamp niet minder dan vier uren moet geweest zijn, want het was als een beweegbare stad, met straten en stegen, waarin misschien het manna viel, zowel als aan de buitenzijde van het leger, opdat zij het, om zo te zeggen, aan hun deur hadden. In de Christelijke kerk lezen wij van een troon (zoals in de tabernakel van het verzoendeksel, of troon van de genade), die genoemd wordt, "een troon van" "de heerlijkheid van het eerste aan," Jeremia 17:12, en die troon is omringd door geestelijke Israëlieten, vier en twintig ouderlingen, dubbel het aantal van de stammen, "bekleed met" "witte klederen," Openbaring 4:4, en de banier boven hen is Liefde. Maar ons is niet, zoals aan hen, bevolen om van verre te legeren, neen, wij worden genodigd te naderen, en met vrijmoedigheid te komen. De heiligen van de Allerhoogste worden gezegd "rondom Hem" "te zijn," Psalm 76-:12. Moge God door Zijn genade ons dicht bij Hem houden.