1 Kronieken 8:33-40
Het is opmerkelijk dat onder al de geslachtsregisters van de stammen geen melding wordt gemaakt van de koningen van Israël na hun afval van het huis van David, en nog veel minder van hun geslachten, geen woord van het huis van Jerobeam, of van Baesa, of van Omri, of van Jehu, want zij waren allen afgodendienaars. Maar van het geslacht van Saul dat de koninklijke familie was voor de verheffing van David, wordt ons hier een bijzonder bericht gegeven,
1. Voor Saul worden alleen Kis en Ner genoemd, zijn vader en grootvader, vers 33. In 1 Samuël 9:. In 1 Samuël 9:1, klimt zijn stamboom hoger op, maar Kis wordt daar gezegd de zoon te zijn van Abiël en hier van Ner. Hij was werkelijk de zoon van Ner, maar de kleinzoon van Abiël zoals blijkt uit 1 Samuël 14:51, waar gezegd wordt dat Ner de zoon was van Abiël, en dat Abner, die de zoon was van Ner, Sauls oom was, dat is: de broeder zijns vaders, daarom was zijn vader ook de zoon van Ner. Het is gewoon aan alle talen om kleinzonen en andere afstammelingen soms zonen te noemen, en nog veel meer is dit gebruikelijk in de taal van de Hebreën.
2. Na Saul worden verschillende van zijn zonen genoemd, maar geen nakomelingen van iemand van hen behalve alleen van Jonathan, die met een talrijk kroost gezegend was, en deze nakomelingen werden geëerd met een plaats in de heilige geslachtsregisters, om de wille van zijn oprechte vriendschap voor David. De linie van Jonathan wordt hier opgegeven tot op ongeveer tien geslachten na hem.
Misschien was David zeer bijzonder zorgzaam om die lijst zuiver te bewaren en heeft hij haar op een aparte bladzijde doen schrijven vanwege het verbond, gemaakt tussen zijn zaad en Jonathans zaad tot in eeuwigheid, 1 Samuël 20:15, 23, 42. Dit geslachtsregister eindigt in Ulam, wiens geslacht vermaard werd in de stam van Benjamin wegens de vele kloeke helden, die het voortbracht.
Uit het nageslacht van die een man schijnen eens honderdvijftig boogschutters op het oorlogsveld gebracht te zijn, en zij waren allen mannen kloeke helden, vers 40. Er wordt nota genomen van datgene in hen, dat een man meer tot lof verstrekt dan zijn macht of zijn rijkdom, namelijk dat zij instaat waren hun land te dienen.