1 Kronieken 7:1-19
Hier is ons een kort overzicht gegeven van:
1. De stam van Issaschar, die Jakob had vergeleken bij "een sterkgebeenden ezel, nederliggende tussen de pakken", Genesis 49:14, een naarstige stam, die de zaken zijns lands zeer behartigde en "zich verheugde over zijn hutten" Deuteronomium 33:18. En hier zien wij:
a. Dat zij een talrijke stam waren, want zij hadden veel vrouwen. Hun land was zo vruchtbaar, dat zij voor geen overbevolking vreesden, en het volk was zo vernuftig en verstandig, dat zij voor alle handen werk konden vinden. Laat geen volk klagen over zijn sterk aantal, mits zij niemand toelaten lui of ledig te zijn.
b. Dat zij een moedige, dappere stam waren, "kloeke helden", vers 2, 5,, "hoofden", vers 3.
Zij die gewoon waren aan arbeid, waren boven alle anderen geschikt om hun land te dienen, als dit nodig was. Het getal van hun onderscheiden huisgezinnen, zoals het opgenomen werd in de dagen van David, wordt hier opgegeven, allen tezamen gerekend bedroeg het ruim honderd vijf en veertig duizend mannen, geschikt voor de krijg.
Sommigen denken dat deze opgaven afkomstig zijn van de volkstelling, door Joab op last van David verricht, 2 Samuël 24.
Ik geloof veeleer dat zij afkomstig zijn van een andere telling die zij misschien onder elkaar hebben gehouden, omdat in 1 Kronieken 27:24 gezegd wordt dat dit getal niet opgebracht is in de rekening van de kronieken des konings Davids, omdat die telling Gode zeer mishaagd had.
2. Van de stam van Benjamin. Er wordt hier enig bericht van die stam gegeven, maar in het volgende hoofdstuk is het bericht veel uitvoeriger. De strijdmacht van die stam was nauwelijks zestig duizend man sterk, maar zij worden "kloeke helden" genoemd, vers 7, 9, 11.
"Benjamin zal als een wolf verscheuren", Genesis 49:27. Het was de eer van deze stam dat Saul, de eerste koning, uit hem is voortgekomen, nog meer strekt het hem tot eer dat hij de rechtmatige koningen uit het huis van David bleef aanhangen toen de andere stammen afgevallen zijn.
Hier wordt melding gemaakt van Husim, de kinderen van Aher, vers 12..
Dans zonen worden gezegd Husim te zijn, Genesis 46:23, en daarom lezen sommigen Aher als gemeen zelfstandig naamwoord. "Husim, de zonen van een anderen" dat is: een anderen van Jakobs zonen, of de zonen van een vreemde die Israëlieten niet moesten wezen, maar de Danieten waren de zodanigen, toen zij Micha's gesneden en gegoten beeld onder hen stelden.
3. Van de stam van Nafthali, vers 13. Alleen de eerste vaderen van die stam worden genoemd, geheel dezelfden, die wij vinden in Genesis 46:24, behalve dat Sillem daar, hier Sallum is. Geen van hun nakomelingen worden genoemd, misschien wel omdat hun geslachtsregisters verloren zijn geraakt.
4. Van de stam van Manasse, van dat gedeelte ervan, dat gevestigd was aan deze zijde van de Jordaan, want van het andere gedeelte hadden wij reeds enig bericht in Hoofdstuk 5:23 en verv. Van deze stam valt op te merken:
a. Dat een hunner een Syrische huwde, vers 14. Dit was in de tijd van hun slavernij in Egypte, zo vroeg reeds begonnen zij zich met andere volken te vermengen.
b. Dat, hoewel de vader een Syrische huwde, Machir, de zoon uit dat huwelijk geboren, wellicht het ongerief ervan ziende in zijns vaders huis, een dochter van Benjamin tot vrouw nam, vers 15.
Het is goed voor de kinderen om zich door de fouten en misstappen van hun vaders te laten waarschuwen zodat zij zich niet aan dezelfde steen stoten.
c. Hier wordt melding gemaakt van Bedan, die wellicht dezelfde is als die Bedan, die als een van de verlossers van Israël vermeld is, 1 Samuël 12:11, Jair, die van Manasse was, was misschien de man, Richteren 10:3.