1 Kronieken 26:1-19
Merk op:
1. Er waren poortiers aangesteld voor de tempel, die de wacht moesten houden over alle toegangen, die er heenvoerden, al de buitenpoorten openden en sloten, en er de wacht hielden, niet alleen voor staatsie maar voor dienst, om allen, die zich ter aanbidding naar de voorhoven van het heiligdom begaven, de weg te wijzen en te onderrichten omtrent de wijze, waarop zij zich hadden te gedragen, hen aan te moedigen, die beschroomd of vreesachtig waren, de vreemdelingen en de onreinen terug te zenden, te waken tegen dieven en anderen, die het huis Gods vijandig waren. In toespeling op dit ambt wordt van leraren gezegd dat hun de sleutelen van het koninkrijk, de hemelen zijn toevertrouwd, Mattheus 16:19, opdat zij naar de wet van Christus toelaten of buitensluiten.
2. Van verscheidenen van hen, die tot deze dienst geroepen waren wordt opgemerkt dat zij kloeke lieden waren vers 6, sterke mannen, vers 7, kloeke mannen, in kracht tot den dienst vers 8, en van een hunner, dat hij een verstandig raadsman was, vers 14, die waarschijnlijk, toen hij wel gediend had en blijken had gegeven van meer dan gewone wijsheid, zich een goeden opgang had verkregen, en van de poort naar de raadszitting werd bevorderd, 1 Timotheus 3:13.
Wat hen betreft, die uitmuntten in lichaamskracht, kloekmoedigheid en vastberadenheid, zij werden er door bekwaam gemaakt voor de post, die hun was toegewezen, want voor iederen dienst, waartoe God de mensen roept, zal Hij hen 6f geschikt vinden of geschikt maken.
3. De zonen van Obed-Edom werden in dit ambt gesteld, er waren er twee en zestig van die familie. Hij was het, die de ark met eerbied en blijmoedigheid had geherbergd en zie nu, hoe hij er voor beloond werd.
a. Hij had acht zonen, want God had hem gezegend, vers 5. De toeneming en opbouwing van de geslachten zijn aan de zegen Gods te danken, en een grote zegen is het voor een huisgezin om vele kinderen te hebben als zij, gelijk deze hier, instaat zijn tot en uitmunten in de dienst van God.
b. Zijn zonen werden bevorderd tot posten van vertrouwen in het heiligdom. Zij hadden in hun eigen huis trouw gewaakt over de ark, en nu worden zij geroepen tot haar dienst in Gods huis. Aan wie betrouwenswaardig is in het kleine zal meer toebetrouwd worden. Hij, die Gods inzettingen houdt in zijn eigen tent, is geschikt om de bewaarder te zijn van Gods tabernakel, 1 Timotheus 3:4, 5. Ik heb Uwe wet bewaard, zegt David, dat is mij geschied, omdat ik Uwe bevelen bewaard heb, Psalm 119:55, 56.
4. Hier wordt van iemand gezegd dat, hoewel hij de eerstgeborene niet was, zijn vader hem nochtans tot een hoofd had gesteld, vers 10, hetzij omdat hij zeer voortreffelijk, of omdat de oudste zoon zeer zwak was. Hij werd tot een hoofd gesteld, misschien niet om de bezitting te erven- want dat was door de wet verboden, Deuteronomium 21:16, 17, maar in deze dienst, die persoonlijke bekwaamheid vereiste.
5. Aan de poortiers werd, evenals aan de zangers, hun post aangewezen door het lot, zoveel aan zo'n poort, en zoveel aan zulk een, opdat iedereen zijn post zou kennen en vervullen, vers 13. Er is niet gezegd, zoals tevoren, dat zij in vier en twintig ordeningen werden verdeeld, maar hier zijn de namen van omstreeks vier en twintig personen, vers 1-11, en de posten, die aangewezen werden, zijn vier en twintig, vers 17, 18. Wij hebben dus reden te denken dat zij in zoveel groepen verdeeld waren. Zalig zij die in Gods huis wonen, want, gelijk zij wèl gevoed, wèl onderwezen en wèl werkzaam zijn, zo zijn zij ook wèl bewaard. Mensen hielden de wacht aan de poorten van de tempel, maar engelen aan de poorten van het nieuwe Jeruzalem, Openbaring 21:12.