1 Kronieken 22:1-5
I. Hier is:
De plaats waar de tempel gebouwd moest worden, vers 1.
En David zei door ingeving van God, en als een verklaring van Zijn voornemen: Hier zal het huis Gods des Heeren zijn.
Als een tempel voor God gebouwd moet worden, dan is het voegzaam Hem de grond te laten kiezen, want de gehele aarde is Zijne, en dit is de plek gronds, die Hij kiest.
Zij had toebehoord aan een Jebusiet, en misschien was er in of rondom Jeruzalem geen andere plek gronds, die aan hem of aan een anderen vreemdeling toebehoorde, een gelukkig voorteken van de oprichting van de Evangelietempel onder de heidenen. Zie Handelingen 15:16,17.
De grond was een dorsvloer, want de kerk van de levenden God is Zijn dorsvloer, Zijn dorsing, en "de tarwe Zijns dorsvloers", Jesaja 21:10.
Christus' wan is in Zijn hand om Zijn dorsvloer te doorzuiveren. Dit zal het huis zijn, omdat dit het altaar is, de tempel werd gebouwd om de wille van het altaar, er waren altaren lang voordat er tempels weren.
II. Er werden toebereidselen gemaakt voor dat gebouw. David moest het niet bouwen, maar hij wilde er alles voor doen wat hij kon hij bereidde voorraad in menigte voor zijn dood, vers 5.
Het geeft te kennen dat de gedachte aan zijn hoge jaren en toenemende zwakheden, die hem deden zien dat zijn dood naderde, hem in de laatste tijd van zijn leven aangespoord hebben tot grote ijver in het maken van deze toebereidselen. Wat onze hand vindt om te doen voor God en onze ziel en ons geslacht, laat ons het doen met alle macht vóór onze dood want daar is geen werk noch verzinning in het graf.
Nu wordt ons hier gezegd:
1. Wat hem bewoog om die toebereidselen te maken. Hij overwoog twee dingen:
a. Dat Salomo jong en teder was, en zich waarschijnlijk niet terstond met grote kracht op die zaak zou toeleggen, zodat, tenzij hij de raderen aan de gang vindt, hij gevaar zou lopen van in het begin zeer veel tijd verloren te laten gaan, temeer omdat hij, jong zijnde, in verzoeking zou wezen om het uit te stellen, terwijl, als hij de materialen allen ten gebruike toebereid zou vinden, het moeilijkste deel van het werk gedaan ZOU zijn, en dit zou hem opwekken en aanmoedigen om het reeds aan het begin van zijn regering ter hand te nemen. Zij, die oud en ervaren zijn, moeten bedachtzaam wezen voor hen, die jong en teder zijn, en hun zoveel hulp bereiden als zij slechts kunnen, teneinde hun het werk van God zo gemakkelijk mogelijk te maken. b. Dat het huis zeer schoon en prachtig moet worden, zeer statig en kostbaar, sterk en sierlijk, alles wat er in of aan was moest het beste wezen in zijn soort, en wel om een goede reden, het was bestemd voor de eer van de grote God, de Heere van de gehele aarde, en moest een type wezen van Christus, in wie alle volheid woont, en in wie alle schatten verborgen zijn.
De mensen moesten toenmaals door bespeurbare methodes onderwezen worden, het grootse van het huis zal de aanbidders heilig ontzag en eerbied voor God inboezemen en vreemdelingen uitnodigen om het te komen zien als het wonder van de wereld, en hierdoor zullen deze met de waren God bekend worden, daarom wordt het hier bestemd om tot een naam en tot heerlijkheid te zijn in alle landen.
David heeft die goede uitwerking van die pracht voorzegd, Psalm 68:30 :"Om Uws tempels wil te Jeruzalem zullen U de koningen geschenken brengen".
2. Welke toebereidselen hij maakte: in het algemeen: hij bereidde voorraad in menigte, zoals wij later zullen bevinden: cederhout en stenen, ijzer en koper worden hier in het bijzonder genoemd, vers 2-4. Cederhout had hij van de Tyriërs en Sidoniers: "de dochter van Tyrus zal Uw aangezicht met geschenk smeken," Psalm 45:13. Hij verzamelde ook werklieden de vreemdelingen, die in het land Israëls waren. Sommigen denken dat hij hen gebruikte, omdat zij over het algemeen betere kunstenaars waren, vernuftiger in handenarbeid dan de Israëlieten, of liever omdat hij de vrijgeboren Israëlieten niet gebruiken wilde in iets dat gering of slavenarbeid scheen te zijn. Zij waren verlost van het slavenwerk om tichelstenen te maken in Egypte, en moeten niet terugkeren tot de arbeid van stenen te houwen. Deze vreemdelingen waren proselieten van de Joodsen Godsdienst, die hoewel niet tot slaven gemaakt, toch niet van gelijke waardigheid waren als de Israëlieten.