1 Kronieken 1:28-54
Alle volken, behalve die van het zaad Abrahams waren, zijn van dit geslachtsregister reeds weggelaten, zij hebben part noch deel aan deze zaak.
Des Heeren deel is Zijn volk, van hen houdt Hij rekening, hen kent Hij bij name, maar hen, die vreemdelingen voor Hem zijn, ziet Hij van verre.
Niet dat wij hieruit nu moeten afleiden, dat geen particuliere personen, die tot enig volk behalve het zaad Abrahams behoorden, gunst bij God gevonden hebben. Het was een waarheid, voordat Petrus haar vernomen had, dat in allen volke die Hem vreest en gerechtigheid werkt Hem aangenaam is.
Een grote schare zal uit alle natiën naar de hemel gebracht worden, Openbaring 7:9, en wij willen gaarne hopen dat er vele, ja zeer vele Godvruchtige mensen waren in de wereld, die buiten de palen was van Gods bijzonder verbond met Abraham, wier namen in het boek des levens zijn, hoewel zij niet afstamden van de volgende geslachten, die in Zijn boek geschreven zijn.
De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. Maar Israël was een uitverkoren volk, uitverkoren in type, en geen ander volk was in zijn nationale hoedanigheid zo geëerd en bevoorrecht als het Joodse volk geweest is. Dat is het heilig volk, dat het onderwerp is van de gewijde geschiedenis, en daarom zullen wij nu vervolgens al het zaad Abrahams wegdoen behalve alleen het nageslacht van Jakob, dat tot een volk is geworden en de Heere is toegevoegd, terwijl, voorzoveel blijkt, de andere nakomelingen van Abraham vervreemd werden beide van God en van elkaar.
I. Wij zullen weinig te zeggen hebben nopens de Ismaëlieten, zij waren de kinderen van de dienstmaagd, die uitgeworpen moesten worden en met het kind van de belofte niet moesten erven, zij moesten de ongelovige Joden voorstellen, Galaten 4:22 en verv, en daarom wordt er van dat volk weinig nota genomen.
Ismaëls twaalf zonen worden hier genoemd, om de vervulling te tonen van Gods belofte aan Abraham, als verhoring van zijn gebed voor hem, dat hij om Abrahams wil tot een groot volk zal worden en inzonderheid dat twaalf vorsten uit hem zullen voortkomen, Genesis 17:20.
II. Wij zullen weinig te zeggen hebben nopens de Midianieten, die van Abrahams kinderen bij Ketura afstamden. Zij waren kinderen van het Oosten, ( waarschijnlijk heeft Job tot hen behoord) en waren weggezonden van Izak, de erfgenaam van de belofte, Genesis 25:6 , alleen daarom worden zij hier genoemd, vers 32.
De kinderen van Joksan, de zoon van Ketura, worden ook genoemd, en de kinderen van Midian, vers 32, 33 die de voornaamsten werden, en misschien hun naam gaven aan al deze geslachten, zoals Juda aan de Joden.
III. Wij zullen niet veel te zeggen hebben nopens de Edomieten. Zij koesterden een ingewortelden haat tegen Gods Israël, omdat zij echter afstamden van Ezau, de zoon van Izak hebben wij hier een bericht van hun geslachten en de namen van sommigen van hun vermaarde mannen vers 35 tot het einde. Enkele kleine verschillen komen voor tussen sommigen van de namen hier en zoals wij ze gehad hebben in Genesis 36, waaraan dit gehele bericht ontleend is.
Drie of vier namen, die daar met een "waw", geschreven zijn, zijn hier met een "jod" geschreven, de uitspraak waarschijnlijk veranderd zijnde, zoals dit ook in andere talen plaatsheeft. Wij schrijven thans vele woorden heel anders dan zij voor twee honderd jaren geschreven werden.
Laat ons aanleiding nemen uit de lezing van deze geslachtsregisters om te denken:
1. Aan de grote scharen van mensen, die door deze wereld zijn gegaan, er hun rol in gespeeld hebben en haar toen hebben verlaten.
In de vroege tijd reeds, waarin Job leefde, stelde hij zich de doden voor als de levenden tot zich trekkende, terwijl degenen, die vóór hem geweest waren, reeds ontelbaar waren Job 21:33.
Alle deze en al de hunnen hebben hun dag gehad, velen van hen hebben zeer veel rumoer in de wereld genaakt en een grote rol er in gespeeld, maar hun dag kwam om te vallen, en hun plaats kende hen niet meer. De paden des doods zijn begane wegen maar "Vestigia nulla retrorsum", (niemand kan op zijn schreden terugkomen).
2. Aan de voorzienigheid Gods, die de geslachten van de mensen in wezen houdt, en aldus ook dat ontaarde mensengeslacht, hoewel het schuldig en aanstotelijk is, op de aarde laat blijven. Hoe gemakkelijk zou Hij het kunnen uitroeien, hetzij door een zondvloed of een algemenen brand!
Laat slechts alle kinderen van de mensen kinderloos zijn aangeschreven, en binnen weinige jaren zal de aarde verlost zijn van de last onder welke zij zucht, maar de Goddelijke lankmoedigheid laat de bomen, die onnuttelig de aarde beslaan, niet slechts groeien, maar zich voortplanten.
"Het ene geslacht, zelfs van zondige mensen, gaat, en het andere komt," Prediker 1:4 , Numeri 32:14 en 15, en zo zal het blijven zolang als de aarde zal bestaan. Verderf ze niet, want daar is een zegen in.