1 Kronieken 12:23-40
Wij hebben hier een bericht van hen, die werkzaam waren om Davids vestiging op de-troon te voleindigen na de dood van Isboseth. Wij lazen in Hoofdstuk 11:1, en tevoren in 2 Samuël 5:1,, dat "alle stammen van Israël" kwamen, hetzij zelf of door hun vertegenwoordigers, te Hebron om David koning te maken.
Hier nu hebben wij een bericht van het contingent van troepen, door elke stam aangebracht, toegerust ten heire, voor het geval dat tegenstand geboden mocht worden, vers 23. Wij kunnen hier opmerken:
1. Dat de stammen, die het dichtstbij woonden, het kleinste getal aanbrachten, Juda slechts zes duizend acht honderd, vers 24. Simeon slechts zeven duizend een honderd, vers 25,, terwijl Zebulon, die ver afgelegen was, vijftig duizend man bracht, vers 33,, Aser veertig duizend, vers 36,, en de twee en een halve stam aan geen zijde van de Jordaan honderd en twintig duizend man, vers 37,.
Niet alsof de naastbijgelegen stammen koel en koud waren in de zaak, maar zij toonden evenveel wijsheid door weinigen te brengen, daar al de overigen toch binnen hun bereik waren als de anderen hun ijver toonden door zovelen te brengen. De mannen van Juda hadden genoeg te doen om hen te onthalen, die van zo verre kwamen.
2. De Levieten zelf en de priesters, hier de Aaronieten genoemd, toonden zich van harte voor de zaak, en waren bereid om, indien het nodig was, voor David te strijden, zowel als voor hem te bidden, omdat zij wisten dat hij door God tot de regering geroepen was, vers 26-28,.
3. Zelfs sommigen uit Sauls maagschap kwamen tot David over, vers 29,, niet zovelen als van de andere stammen, omdat door een dwaze voorliefde voor hun eigen stam en ijver voor de eer er van, velen van hen de belangen van het zinkend huis van Saul bleven aankleven. Het geweten moet door geen bloedverwantschap overheerst worden. Noem in die uitgestrekten zin niemand "Vader" dan alleen God.
4. Van de meesten van hen wordt gezegd dat zij kloeke helden waren, vers 25, 28, 30 , van anderen, dat zij "ten strijde toegerust waren", vers 35 en van allen, dat zij zich in slagorde konden houden, vers 38.
Er was veel krijgsvuur in hen, en toch waren zij regeerbaar en onderworpen aan de regelen van orde, warme harten en koele hoofden.
5. Sommigen waren zo bedachtzaam om wapenen mee te brengen, allerlei krijgsgereedschap, vers 24, 33, 37, want hoe konden zij denken dat David instaat was hen er van te voorzien?
6. De mannen van Issaschar waren van allen het minst in aantal, slechts twee honderd, en toch even dienstig aan Davids belangen als zij, die het grootste aantal gebracht hadden. Deze weinigen waren inderdaad de gehele stam. Want: a. Zij waren mannen van groot beleid boven al hun buren, mannen, die ervaren waren in het verstaan van de tijden, om te weten wat Israël doen moest.
Zij verstonden de natuurlijke tijd, konden het aanschijn van de aarde en des hemels beproeven, waren weerkundig, konden hun naburen raad geven omtrent de geschikten tijd voor ploegen, zaaien en oogsten, de ceremoniële tijden, de tijden, vastgesteld voor de plechtige feesten, daarom wordt van hen gezegd, dat zij de volken tot de berg roepen, Deuteronomium 33:19, want almanakken waren toen niet zo bekend en algemeen in gebruik als tegenwoordig.
Of liever, de staatkundige tijden, zij hadden verstand van de publieke zaken, begrepen de gezindheid des volks, en de strekking van de tegenwoordige gebeurtenissen.
Het is de omschrijving van staatslieden, dat zij de tijden verstaan, Esther 1:13.
De mannen van deze stam stelden zeer veel belang in de publieke aangelegenheden.
Zij wisten wat Israël doen moest, uit hun eigen waarneming en ervaring leerden zij wat hun eigen en anderer plicht en belang was In dit hachelijk tijdsgewricht wisten zij dat Israël David koning moest maken, dat dit niet slechts voegzaam en gepast, maar zeer noodzakelijk was, door de tegenwoordigen staat van zaken werd het geëist.
De mannen van Issaschar hielden zich het meest bezig met landbouw en bemoeiden zich niet veel met de openbare aangelegenheden, hetgeen hun gelegenheid gaf om anderen gade te slaan.
b. Zij waren mannen van groten invloed, want al hun broederen pasten op hun woord. Daar de burgerij van die stam hun schouders gebogen hadden om te dragen, Genesis 49:15, oefenden de groten gezag over hen uit. Vandaar dat wij lezen van de vorsten in Issaschar, Richteren 5:15.
Zij wisten te heersen en de anderen wisten te gehoorzamen. Het is inderdaad gelukkig als zij, die moeten leiden, verstandig en oordeelkundig zijn en zij, die moeten volgen, bescheiden en onderdanig zijn.
7. Van allen wordt gezegd, dat zij zich tot deze zaak verbonden met een volkomen hart, vers 38, en van de mannen van Zebulon inzonderheid, dat zij kwamen met een onwankelbaar hart, vers 33.
In deze zaak waren zij waarlijk Israëlieten, in wie geen bedrog was. En dit was hun volkomenheid, dat zij er allen een van hart in waren, vers 38.
Niemand hunner had afzonderlijke belangen, allen waren zij voor het algemene welzijn.
Eindelijk. De mannen van Juda en anderen van de naburige stammen maakten toebereidselen voor de proviandering van hun onderscheiden kampen toen zij naar Hebron kwamen vers 39, 40.
Zij, die de minste moeite hadden om naar dit congres van de staten heen te gaan achtten zich verplicht om zoveel te meer bij te dragen in de onkosten voor het onthaal van de overigen, opdat er enige gelijkheid zou zijn. Er werd een grote maaltijd gemaakt (gemaakt om te lachen, Prediker 10:19) bij deze gelegenheid, want er was blijdschap in Israël, vers 40.
En met goede reden, want een stad springt op van vreugde over het welvaren van de rechtvaardigen.
Zo zal, als de troon van Christus opgericht is in een ziel, grote blijdschap wezen in die ziel, en er is voor gezorgd om haar feestelijk te onthalen, niet zoals hier, gedurende twee of drie dagen, maar haar levenlang, ja tot in van de eeuwigheid.