Esther 1:10-22
Wij zien hier hoe de vreugde van Ahasveros' feest verstoord werd, het eindigde in bedruktheid, niet zoals het feestmaal van Jobs kinderen door een wind uit de woestijn, niet zoals dat van Belsazar door een schrift op de muur, maar door zijn eigen dwaasheid. Aan het einde van het feest was er een ongelukkige onenigheid tussen de koning en de koningin, die het feest plotseling ten einde bracht en de gasten zwijgend en beschaamd heenzond.
I. Het was ongetwijfeld de zwakheid van de koning om Vasthi in zijn tegenwoordigheid te willen doen komen toen hij dronken was, en in gezelschap van vele heren, van wie velen zich ongetwijfeld in dezelfde toestand bevonden. Toen zijn hart vrolijk was van de wijn, kon hij nergens meer behagen in scheppen, of Vasthi moest komen, fraai gekleed met de kroon op haar hoofd, opdat de vorsten en het volk zouden zien welk een schone vrouw zij was, vers 10, 11. Hiermede:
1. Onteerde hij zich als echtgenoot, die de ingetogenheid van zijn vrouw behoorde te beschermen, maar geenszins moest aanranden, en haar "een deksel van de ogen moest zijn," Genesis 20:16, maar ze niet moest ontdekken.
2. Verlaagde hij zich als koning, door zijn vrouw datgene te bevelen, hetwelk zij, zeer tot eer van haar deugd, kon weigeren. Het streed met de zeden en gewoonten van de Perzen, dat de vrouwen in het openbaar zouden verschijnen, en hij bracht haar in grote moeilijkheid toen hij haar niet verzocht, maar gebood om iets te doen, dat zo ongebruikelijk was, en een vertoning van haar wilde maken. Indien hij niet buiten zichzelf was geraakt door overmatig drinken, hij zou zo iets niet gedaan hebben, maar er vertoornd om geweest zijn zo iemand het had durven voorstellen. Als de wijn binnen is, is het verstand buiten, en is de rede van de mens geweken.
II. Maar het was misschien toch niet verstandig van haar om te weigeren, vers 12. De koningin weigerde te komen, hoewel hij zijn bevel zond door zeven achtbare boden, en dat wel in het openbaar, en Josefus zegt dat hij hen herhaaldelijk zond, maar dat zij telkens weer weigerde. Indien zij gekomen was, blijkbaar uit zuivere gehoorzaamheid, het zou haar zedigheid niet in verdenking hebben gebracht en ook geen slecht voorbeeld geweest zijn. Op zichzelf was het niet zondig, en daarom zou het meer tot haar eer geweest zijn te gehoorzamen dan zo stijf te wezen. Misschien heeft zij op trotse wijze geweigerd, en dan was het zeker verkeerd, zij versmaadde het om op bevel van de koning te komen. Welk een vernedering was dit voor hem! Terwijl hij de heerlijkheid van zijn koninkrijk toonde, toonde hij de schande van zijn gezin, kwam het uit dat zijn vrouw wilde doen wat haar behaagde. Twist tussen echtgenoten is altijd slecht maar in tegenwoordigheid van anderen is zij ergerlijk, veroorzaakt zij schande en onrust.
III. Hierop werd de koning woedend. Hij, die heerschappij had over honderd zeven en twintig landschappen, had geen heerschappij over zijn eigen geest, zijn grimmigheid ontstak in hem, vers 12. Hij zou met zijn eigen rust en eer meer te rade zijn gegaan, indien hij zijn toorn had bedwongen, de belediging, hem door zijn vrouw aangedaan, had voorbijgezien, en er zich met een kwinkslag van af had gemaakt.
IV. Hoewel hij zeer toornig was, wilde hij in deze zaak toch niets doen vóór hij zijn geheime raad had gehoord. Gelijk hij zeven kamerheren had om zijn orders uit te voeren, die genoemd zijn, vers 10, zo had hij zeven raadsheren om zijn orders te leiden. Hoe meer macht iemand heeft, hoe meer behoefte hij heeft aan raad, teneinde van zijn macht geen misbruik te maken. Van deze raadsheren wordt gezegd, dat zij geleerde mannen waren, want zij verstonden de wet en het recht, dat zij wijze mannen waren, want zij verstonden de tijden, en dat de koning groot vertrouwen in hen stelde en hen eerde, want zij zagen het gezicht van de koning, en zaten vooraan in het koninkrijk, vers 13, 14. In de veelheid van zulke raadslieden is behoudenis. Nu wordt hier:
1. Aan deze kabinetsraad de vraag gesteld, vers 15. Wat men naar de wet met de koningin Vasthi doen zou
Merk op:
a. Hoewel het de koningin was die schuldig was, moet het recht toch zijn loop hebben.
b. Hoewel de koning zeer toornig was, wilde hij toch niets doen dan hetgeen hem overeenkomstig de wet werd aangeraden.
2. Het voorstel van Memuchan, dat de koning zich van Vasthi wegens haar ongehoorzaamheid zou scheiden. Sommigen opperen het denkbeeld, dat hij die strengheid aanraadde en de anderen er mee instemden, omdat zij wisten dat dit de koning zal behagen, hem thans bevrediging zal geven voor zijn toorn, en later voor zijn lusten. Maar Josefus zegt dat hij, integendeel, een sterke genegenheid koesterde voor Vasthi, en haar wegens dit misdrijf niet weggezonden zou hebben, als hij het wettig voorbij had kunnen zien. En dan moeten wij veronderstellen dat Memuchan met zijn raad eerlijk het recht en het algemeen belang op het oog had.
A. Hij toonde aan dat de ongehoorzaamheid van de koningin aan haar echtgenoot grote onheilen tengevolge zou kunnen hebben, indien zij voorbijgezien werd en er dus geen afkeurend oordeel over werd uitgesproken, het zou andere vrouwen aanmoedigen om ongehoorzaam te zijn aan haar mannen en over hen te gaan heersen. Indien deze ongelukkige strijd tussen de koning en zijn gemalin, waarin zij de overhand behield, onder vier ogen ware gebleven, de zaak zou hun alleen zijn aangegaan, en de twist had in stilte tussen hen bijgelegd kunnen worden. Daar alles echter in het openbaar was geschied, en de vrouwen die nu feest hielden met de koningin, zich misschien ingenomen hebben betoond met haar weigering, zou haar slecht voorbeeld een slechte invloed kunnen hebben op alle gezinnen van het koninkrijk. Indien de koningin haar zin moet hebben en de koning er zich aan heeft te onderwerpen, zullen de vrouwen (daar particuliere personen zich meestal gedragen naar de regels van het hof van de vorsten) hooghartig en heerszuchtig worden, en haar mannen niet willen gehoorzamen. De arme geminachte mannen konden er zich dan over verbitteren maar de zaak niet verbeteren, want "het getwist van een vrouw is een gestadig druppelend lek," Spreuken 19:13, 27:15, en zie Spreuken 21:9, 25:24. Als vrouwen haar mannen verachten, die zij behoren te vrezen, Efeziers 5:33, en streven naar de heerschappij over hen, aan wie zij onderdanig behoren te wezen, 1 Petrus 3:1, dan kan het niet anders of er moet voortdurend schuld zijt en verdriet, en verwarring, en alle boos werk. En de groten, de aanzienlijken, moeten er zich voor wachten om hierin een voorbeeld te geven, vers 16-18.
B. Hij toont aan wat de goede gevolgen zouden zijn van een decreet tegen Vasthi, waarbij haar echtscheiding van de koning bevolen wordt. Wij kunnen veronderstellen dat zij, eer zij tot dit uiterste overgingen, tot Vasthi zijn gegaan, om te weten te komen, of zij zich wilde onderwerpen, Peccavi-ik heb verkeerd gedaan-zou willen roepen, en de koning om vergiffenis zou willen vragen. Indien zij dit gedaan had, het kwade gevolg van haar slechte voorbeeld zou voorkomen zijn, en dan zou met het proces niet zijn voortgegaan, maar waarschijnlijk bleef zij hardnekkig aandringen op haar voorrecht om te doen wat haar behaagde, of dit de koning al of niet welgevallig was, en daarom spraken zij dit oordeel tegen haar uit, dat zij niet meer inga voor het aangezicht van de koning, en dit oordeel werd zodanig bevestigd, dat het niet meer herroepen kon worden, vers 19. Het gevolg hiervan, hoopte men, zou zijn, dat de vrouwen aan haar mannen eer zullen geven. Zelfs de vrouwen van de groten, in weerwil van haar eigen voornaamheid, en de vrouwen van de kleinen, niettegenstaande de geringheid van de mannen, vers 20. En zo zou ieder man opperheer wezen in eigen huis, zoals hij behoort te wezen, en de vrouwen onderdanig zijnde, zullen de kinderen en dienstboden dit ook wezen. Het is het belang van staten en koninkrijken te zorgen dat goede orde in de gezinnen heerse.
3. Het edict dat ingevolge dit voorstel afgekondigd werd, bekendmakende dat over de koningin wegens weerspannigheid het vonnis van echtscheiding was uitgesproken volgens de wet, en dat andere vrouwen, indien zij evenzo ongehoorzaam waren aan haar mannen, verwachten moeten evenzo onteerd te zullen worden, vers 21, 22. Waren zij beter dan de koningin? Of het nu de hartstocht of de staatkunde van de koning was, die door dit edict gediend werd, God heeft het aan Zijn eigen doeleinden dienstbaar gemaakt, en dat was: voor Esther de weg te banen tot de troon.