4. Want als de een zegt: "Ik ben van Paulus" en een ander: "Ik ben van Apollos", zoals dat onder u plaats heeft (
Hoofdstuk 1:12); bent u niet vleselijk? Zou u niet, als u geestelijk was, hetzelfde spreken en u dicht aan elkaar sluiten in een gezindheid en in enerlei mening (
Hoofdstuk 1:10)?
In Hoofdstuk 2:1, waar de apostel spreekt evenals hier, spreekt hij over het begin, hier over de voortgang van zijn apostolisch onderwijs; hij wilde zich nog steeds verantwoorden over zijn prediking en wijze van prediken bij de Corinthiërs. Die hij voor Christus gewonnen heeft en tot de doop in Zijn naam heeft geleid door de prediking van het woord van het kruis waren nu geen zuiver natuurlijke mensen meer (Vers 14). Het krachtige, weder barende woord van God had hen gered uit de toestand van de natuurlijke mens, die niets van de Geest van God verneemt of aanneemt. Maar de nieuwe geestelijke mens in hen, die geestelijk hoort, oordeelt, wil, werkt en voelt, was nog zo door het vlees, d. i. door de oude mens gebonden, dat de apostel hen vleselijken moest noemen. Zij waren dat niet alleen in die zin, als ieder Christen eensdeels nog vleselijk, nog van de zwakheid van het vlees omgeven is, maar als degenen, die tegenover de drang van de Geest hier en daar de vleselijke zin volgden, in het vlees roemden en met vleselijke wijsheid omgingen tot schade van de Christelijke reinheid en zo was ook hun aanmerking, in het bijzonder van de kant van hen, die zich "van Apollos" noemden, dat Paulus anders, op meer verheven toon met hen had moeten spreken, onverstandig en onchristelijk.
Paulus kon de Corinthiërs nog niet als geestelijken behandelen; zij waren nog vlees, hoogstens door de adem van de goddelijke Geest in zo verre aangeraakt, dat hij ze als jeugdige kinderen in Christus kon beschouwen en noemen. Daarom was en is nog steeds hun vatbaarheid gebrekkig, hun inzicht zwak en behoeftig en wat in Hoofdstuk 2:15 van geestelijken is gezegd, op hen niet toepasselijk. Daarnaar moest zich noodwendig ook de leerwijze van de apostel richten. Hij moest te eerder alles vermijden, waaraan hun vleselijke gezindheid zich hechten kon ten koste van de inhoud van zijn prediking. Wat het heerlijk onderwerp van zijn prediking alleen waardig was (Hoofdstuk 1:17, 21, 25); wat om de uitwerking, die zij moest hebben, alleen doelmatig was (Hoofdstuk 2:4), dat eiste ook de toestand van zijn hoorders zelf. Zij zouden volstrekt geen andere voordracht van de leer hebben kunnen volgen, die hen dadelijk in al de diepte van de goddelijke raad ter zaligheid had willen inleiden. Des te minder hebben zij reden om zich te beklagen, dat hij hen juist zo heeft onderwezen als hij heeft gedaan. Hij zegt: u kon het vaste voedsel nog niet verdragen, daarom heb ik u melk te drinken gegeven (vgl. 1 Petrus 2:2). Het verband eist niet, dat het onderscheid tussen melk en voedsel zou doelen op de onderscheiden inhoud van de prediking, evenmin als het beeld, hier gebruikt, dat vordert. De voortgang, voor de Corinthiërs nodig, bestond niet daarin, dat zij iets nieuws leerden, maar dat zij het oude, dat Paulus hun reeds gepredikt had, beter waardeerden en vollediger begrepen, het als de wijsheid erkenden, zoals zij dat is voor de volmaakten en daardoor te betonen, dat zij werkelijk tot de volkomenen behoorden.
Paulus noemt hier van de vier partijen, in Hoofdstuk 1:12 aangehaald, de beide eerste, omdat hij in deze gehele afdeling handelt, over de tegenstand van de partij van Apollos tegen hem en tegen degenen, die zich tegen zijn wil naar hem noemden (vgl. Hoofdstuk 4:6).