2 Samuël 6:12-19
Wij hebben hier de tweede poging om de ark naar de stad Davids te brengen, en deze slaagde, hoewel de vorige mislukt was. Het schijnt dat de zegen, waarmee Obed-Edoms huis om der ark wil gezegend werd, een krachtige beweegreden voor David was om haar op te brengen, want toen hem dit gezegd werd, haastte hij zich om haar tot zich te halen, vers 1-2. Want:
1. Het was een blijk dat God met hen verzoend was, en dat Zijn toorn was afgewend. Gelijk David Gods toorn over hen allen kon zijn in de slag, die Uzza had getroffen, zo kon hij Gods gunst over hen allen bespeuren in Obed-Edoms voorspoed, en als God met hen verzoend is, dan kunnen zij goedsmoeds hun voornemen volvoeren.
2. Het was een blijk dat de ark niet zo'n lastige steen was, als waarvoor men haar gehouden had, integendeel, gelukkig de man, die haar in zijn nabijheid heeft. Christus is in waarheid een steen des aanstoots en een rotssteen van de struikeling voor hen, die ongehoorzaam zijn, maar voor hen die geloven, is Hij "een hoeksteen, uitverkoren en dierbaar," 1 Petrus 2:6-8. Toen David hoorde dat Obed-Edom zo'n vreugde had in de ark wilde hij haar in zijn eigen stad hebben. De ervaring die anderen gehad hebben van het gewin van de Godzaligheid, behoort ons aan te moedigen om Godsdienstig te zijn. Is de ark een zegen voor het huis van anderen? zo laat ons haar dan welkom heten in het onze, wij kunnen haar hebben en er de zegen van hebben, zonder haar van onze naburen te halen. Laat ons zien hoe David thans in de zaak te werk ging.
I. Hij herstelde de vorige vergissing, hij heeft thans de ark niet op een nieuwe wagen gezet, maar beval hun, wier dienst dit was haar op hun schouders te dragen. Hier wordt dit te kennen gegeven in vers 13, en uitdrukkelijk gezegd in 1 Kronieken 15:15. Wij zullen dan waarschijnlijk welslagen in onze ondernemingen, als wij beginnen met God, en ons benaarstigen vrede met Hem te hebben. Als wij tot God gaan in de heilige inzettingen, dan moet ons oog op het grote offer zijn waaraan wij het verschuldigd zijn dat wij in het verbond en de gemeenschap met God zijn opgenomen, Psalm 50:5.
II. Hij zelf woonde de plechtigheid bij met de hoogst mogelijke uitdrukking van blijdschap, vers 14. Hij huppelde met alle macht voor het aangezicht des Heren, hij sprong op van vreugde, als iemand die vervoerd is van blijdschap, en dat temeer vanwege de laatste teleurstelling. Het is voor een Godvruchtige een groot genoegen zijn dwalingen hersteld te zien en zich op de weg des plichts te bevinden. Ik onderste! dat zijn dansen niet kunstmatig was niet naar regel of maat, ook bevinden wij niet dat iemand met hem danste, het was een natuurlijke uitdrukking van zijn grote blijdschap en geestvervoering. Hij deed het met alle macht, zo behoren wij al onze Godsdienstige verrichtingen te doen als degenen, die er zich met allen ijver op toeleggen, en ze op de best mogelijke manier wensen te doen, al onze macht is nog weinig genoeg om gebruikt te worden in heilige plichten, het werk verdient het ten volle. Bij deze gelegenheid heeft David het koninklijk purper ter zijde gelegd, en zich met een eenvoudige linnen lijfrok bekleed, die licht en gemakkelijk was voor het huppelen, en bij Godsdienstoefeningen gebruikt werd door hen, die geen priesters waren, want Samuël droeg er een, 1 Samuël 2:18. Die grote koning achtte het geen verkleining voor zich om in het kleed eens dienaars van de ark te verschijnen.
III. Al het volk verblijdde zich wegens deze opvoering van de ark, vers 15. Zij brachten haar op naar de koninklijke stad met gejuich en met geluid van de bazuinen, aldus met luid gejubel hun eigen blijdschap te kennen gevende, en allen die hen omringden opwekkende om zich met hen te verblijden. De openbare en vrije uitoefening van de Godsdienst, niet slechts onder de bescherming van de burgerlijke overheid maar met haar instemming, is een rechtmatige oorzaak van vreugde voor ieder volk.
IV. De ark werd veilig en met eer naar de plaats gebracht die voor haar bestemd en bereid was, vers 17. Zij stelden haar in haar plaats in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had, niet in de tabernakel, die Mozes had opgericht, deze was te Gibeon 2 Kronieken 1:13, en wij kunnen onderstellen dat deze, van stof vervaardigd zijnde, na zoveel honderden van jaren nagenoeg versleten was en ongeschikt om verplaatst te worden, maar deze tent was opzettelijk opgericht om de ark te ontvangen. Hij wilde haar niet in een particulier huis brengen, zelfs niet in zijn eigen huis, opdat het de schijn niet zou hebben alsof hij haar zich alleen toeëigende, en de mensen zich er zoveel vrijer heen konden begeven om er te aanbidden. Hij wilde er ook geen huis voor bouwen, opdat dit het bouwen van een statiger tempel ter bestemder tijd niet in de weg zou wezen, daarom heeft hij haar voor het tegenwoordige tussen gordijnen geplaatst onder een verhemelte, in navolging van Mozes' tabernakel. Zodra zij nu gehuisvest was, offerde hij brandoffers en dankoffers in dank aan God, dat de zaak nu geschied was, zonder meer vergissingen en scheuringen, en in smeking aan God voor de voortduring van Zijn gunst. Al onze blijdschap moet geheiligd worden door lofzegging en gebed, want in zulke offeranden heeft God een welbehagen. Het schijnt, dat hij toen de 132sten psalm geschreven heeft.
V. Het volk werd toen met grote voldoening naar huis gezonden. Hij zond hen weg:
1. Met een Godvruchtig gebed. Hij zegende het volk in de naam des Heren der heirscharen vers 18, niet slechts als profeet, die veel vermocht bij God, maar als koning, gezag over hen hebbende, want "hetgeen minder is wordt gezegend van hetgeen meerder is," Hebreeën 7:7. Hij bad God hen te zegenen, inzonderheid hen te belonen voor de eerbied, die zij nu aan Zijn ark hadden betoond, hun verzekerende dat zij niets zouden verliezen bij hun reis, maar dat de zegen van God over hun zaken tehuis hun onkosten ruim zou vergoeden. Hij betuigde zijn verlangen naar hun welzijn door dit gebed voor hen, en hij liet hun weten dat zij een koning hadden, die hen liefhad.
2. Met een edelmoedig geschenk, want dit was het veeleer dan een uitdelen van aalmoezen. De voorname personen onthaalde hij waarschijnlijk in zijn eigen huis, maar aan de gehele menigte Israëls, mannen en vrouwen (en kinderen, zegt Josephus) deelde hij uit aan een ieder een broodkoek, (een kruidkoek zeggen sommigen) een schoon stuk vlees, ( een schoon, betamelijk stuk, zeggen sommigen, een deel van de dankoffers, zegt Josephus, opdat zij een feestmaal met hem zouden houden op het offer) en een fles wijn, vers 19. Waarschijnlijk had hij orders gegeven, dat hun dit gegeven zou worden in hun woningen, en dit deed hij:
a. Ten teken van zijn blijdschap en dankbaarheid aan God. Als het hart verruimd is in blijdschap, dan moet hierdoor de hand geopend worden in vrijgevigheid. Het Purimfeest werd gehouden "met het zenden van delen aan elkaar," Esther 9:22. Gelijk zij jegens wie God barmhartig is, barmhartigheid moeten betonen in te vergeven, zo moeten zij, voor wie God milddadig is, milddadigheid beoefenen in te geven. b. Om zich bij het volk aan te bevelen en zijn invloed op hen te bevestigen, want ieder is een vriend desgenen, die giften geeft. Zij, die niet gaven om zijn gebeden, zouden hem liefhebben om zijn milddadigheid, en dit zal hen aanmoedigen om ook op een ander maal tot hem te komen, als hij oorzaak had om hen weer samen te roepen.