1 Koningen 2:12-25
I. Wij hebben hier Salomo's komst op de troon, vers 12. Hij kwam er veel gemakkelijker en vreedzamer dan David, en hij zag zijn koninkrijk veel spoediger bevestigd. Het is gelukkig voor een land, als het einde van de ene goede regering het begin is van de andere, en zo was het hier.
II. Zijn rechtvaardige en noodzakelijke uit-den-weg-ruiming van Adonia, zijn mededinger, ter bevestiging van de troon. Adonia had stoute aanspraken gemaakt op de kroon, maar werd spoedig genoodzaakt ze op te geven, en zich aan de genade van Salomo over te geven die hem van rechtsvervolging ontsloeg op voorwaarde dat hij zich verder goed zou gedragen en zo hij zich rustig had gehouden, hij zou veilig geweest zijn. Maar hier zien wij hoe hij zich verraadt in de handen van Salomo's gerechtigheid, en er door valt, de rechtvaardige God liet hem aan zichzelf over, ten einde gestraft te worden voor zijn vroeger verraad, en opdat Salomo's troon bevestigd zou worden. Velen storten zich aldus in verderf, omdat zij de voorrechten, die zij hebben niet weten te waarderen, de weldaden niet op prijs stellen, die hun worden bewezen, en de zondaren vergaderen zich toorn door misbruik te maken van Gods lankmoedigheid. Merk hier nu op:
1. Adonia's verraderlijk plan om Abisag Davids bijwijf, te huwen, niet omdat hij haar liefhad, maar omdat hij door haar zijn aanspraken op de kroon hoopte te vernieuwen, omdat toen de vrouwen van de overleden koning als de eigendom beschouwd werden van zijn opvolger, 2 Samuël 12:8. Absalom achtte zijn aanspraken sterk ondersteund, toen hij tot de bijwijven zijns vaders was ingegaan. Adonia vleit zich dat hij, door hem op te volgen op zijn legerstede, inzonderheid met de beste van zijn vrouwen, hierdoor gemakkelijk er toe kon komen, om hem op te volgen op de troon. Rusteloze, woelzieke mensen streven naar hoge dingen. En zo hoopte hij nu door een huwelijk in het bezit te komen van hetgeen hem niet gelukt was door geweld te verkrijgen.
2. Het middel dat hij aanwendde, om hiertoe te komen. Hij durfde niet onmiddellijk naar de hand van Abisag dingen (hij wist dat zij ter beschikking van Salomo was, en deze zou het met recht ten kwade duiden, indien zijn toestemming niet eerst verkregen werd, zoals Isboseth het in een zelfde geval ten kwade heeft geduid, 2 Samuël 3:7). Hij durfde zich ook niet direct tot Salomo wenden, wetende dat hij onder zijn misnoegen lag, maar hij verzocht Bathseba om hem in deze zaak te helpen, die gaarne aan zijn liefde voor Abisag zou willen geloven, en er geen politieke nevenbedoeling in zou vermoeden. Bathseba was verwonderd hem in haar vertrekken te zien, en vroeg hem of hij niet kwam met de bedoeling om haar kwaad te doen, omdat zij het middel is geweest om zijn aanslag te verijdelen. "Neen", zegt hij, "ik kom met vrede, vers 13, en om een gunst van u te verzoeken", vers 14, namelijk of zij de grote invloed, die zij had op haar zoon, wilde gebruiken om zijn toestemming te verkrijgen voor zijn-Adonia's-huwelijk met Abisag, vers 16, 17, zo hem dit huwelijk werd toegestaan zou hij er zeer dankbaar voor wezen:
a. Als een vergoeding voor zijn verlies van het koninkrijk. Hij geeft te kennen, vers 15, dat het koninkrijk hem toekwam. Gij weet dat het koninkrijk mijn was, als de oudste zoon mijns vaders, levende ten tijde van zijn dood en het gehele Israël had zijn aangezicht op mij gezet. Dat was onwaar, er waren slechts weinigen aan zijn zijde, maar zo wilde hij zich als een beklagenswaardig man doen voorkomen die van de kroon beroofd was, weshalve hij wel vergoeding mocht krijgen in een vrouw. Als hij zijns vaders troon niet mocht erven zo laat hem dan toch iets van waarde hebben, dat zijns vaders was, dat hij om zijnentwil zou behouden, en laat het Abisag zijn. b. Als een beloning voor zijn berusting in dat verlies. Hij erkent Salomo's recht op het koninkrijk, "het is van de Here hem geworden, ik was dwaas toen ik poogde het hem te betwisten, en nu het tot hem omgewend is, ben ik tevreden". Aldus wendt hij voor wel tevreden te zijn met Salomo's komst tot de troon, terwijl hij alles doet wat hij kan om hem te verontrusten. Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg.
3. Bathseba's verzoek aan Salomo ten zijnen behoeve. Zij beloofde de koning voor hem aan te spreken, vers 18, en deed het vers 19. Salomo ontving haar met al de eerbied, die aan een moeder verschuldigd is, hoewel hij koning was, hij stond op haar tegemoet en deed haar zitten aan zijn rechterhand, overeenkomstig de wet van het vijfde gebod. Kinderen moeten, niet alleen als zij volwassen zijn, maar als zij groot geworden zijn, hun ouders eren, en zich met achting en eerbied jegens hen gedragen, veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is. Als een verder bewijs van de eerbied, die hij had voor de wijsheid en het gezag van zijn moeder, heeft hij, toen hij hoorde dat zij hem een verzoek te doen had, beloofd dat hij haar aangezicht niet zal afwijzen. Een belofte, die hij en zij verstonden met de noodzakelijke beperking: mits het rechtvaardig en billijk is het toe te staan, maar zo dit niet het geval is, dan hield hij het voor zeker, dat hij haar er van zou overtuigen dat het niet toegestaan kon worden, en dat zij het dan zou intrekken. Zij zegt hem eindelijk wat de zaak is, vers 21. Laat Abisag aan Adonia, uw broeder, tot vrouw gegeven worden. Het was vreemd dat zij het verraad niet heeft vermoed, maar nog vreemder dat zij de bloedschande niet verafschuwde, die in dit voorstel gelegen was, maar zij heeft of Abisag niet voor Davids bijwijf gehouden omdat het huwelijk niet was voltrokken daar David haar niet bekend had, of zij dacht dat dispensatie kon worden verleend om Adonia genoegen te doen uit aanmerking van zijn gedweeë onderwerping aan Salomo. Dit was haar zwakheid en dwaasheid, het was goed dat zij geen regentes was. Gelijk het de wijsheid is van hen, die het oor hebben van vorsten en groten van de aarde, om niet te kwistig te zijn in het gebruik maken van hun invloed, zo is het hun plicht om hem nooit te gebruiken tot hulp van de zonde of ter bevordering van een goddeloos plan. Laat aan vorsten niet gevraagd worden wat zij niet behoren toe te staan. Het voegt slecht aan een goed man om een slecht verzoek toe te staan of voor een slechte zaak op te treden.
4. Salomo's rechtvaardige en oordeelkundige afwijzing van het verzoek. Hoewel zijn moeder zelf de voorspraak was, en die het een kleine begeerte noemde, en het misschien de eerste was, waarmee zij hem lastig was gevallen sedert hij koning was geworden, wees hij haar toch af, zonder de algemene belofte te schenden, die hij gedaan had, vers 20. Indien Herodes niet van zins was geweest Johannes de Doper te onthoofden, hij zou zich door de algemene belofte, die hij aan Herodias had gedaan, niet verplicht hebben gerekend het te doen. De beste vriend, die wij in de wereld hebben, moet niet zo'n invloed op ons hebben om ons er toe te brengen iets slechts te doen, iets dat onrechtvaardig of onverstandig is.
a. Salomo overtuigt zijn moeder van het onredelijke van het verzoek, en toont er haar de strekking van aan, die zij tevoren niet begrepen had. Zijn antwoord is ietwat scherp: Begeer ook voor hem het koninkrijk, vers 22. Te vragen om de koning te mogen opvolgen op zijn legerstede staat gelijk met te vragen hem op te mogen volgen op de troon, want dat is het wat hij beoogt. Waarschijnlijk was hem bericht, of had hij gegronde reden om te vermoeden, dat Adonia met Joab en Abjathar samenspande, een complot beraamde om hem moeite en onrust te veroorzaken, hetgeen hem recht gaf om aan Adonia's verzoek deze uitlegging te geven. b. Hij verklaart Adonia schuldig aan verraad, en veroordeelt hem om te sterven, en bekrachtigt beide de verklaring en de veroordeling met een eed. Hij oordeelt hem uit zijn eigen mond, vers 23. Zijn eigen tong zal hem doen aanstoten. Bathseba kon bedrogen en misleid worden, maar Salomo niet. hij ziet duidelijk waar hij heen wil, en hij verklaart: voorzeker, hij zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben, hij is in de woorden van zijn eigen lippen verstrikt, nu toont hij duidelijk wat zijn bedoeling is. Hij veroordeelt hem om terstond te sterven: hij zal heden gedood worden, vers 24. God had met een eed verklaard, dat Davids troon door Hem bevestigd zal worden, Psalm 89:36, en daarom geeft Salomo dezelfde verzekering onder ede om die bevestiging te beveiligen, door er de vijanden van te doden. "Zo waarachtig als God leeft, die mij het koninkrijk bevestigd heeft, Adonia zal sterven, die deze bevestiging teniet wilde doen." Zo is het verderf van de vijanden van Christus' koninkrijk even gewis als de vastigheid van Zijn koninkrijk, en beide zijn even gewis, als het leven van God, de grondlegger er van. Het bevel voor zijn terdoodbrenging wordt onmiddellijk getekend, en aan geen minder dan Benaja, de zoon van Jojada, generaal van het leger, wordt geboden de voltrekker van het doodvonnis te zijn, vers 25. Het is vreemd dat Adonia niet gehoord moest worden om zich te verdedigen, maar Salomo's wijsheid achtte het niet nodig een verder onderzoek naar de zaak in te stellen, het was duidelijk genoeg dat Adonia streefde naar de kroon, en zolang hij leeft kan Salomo niet veilig zijn. Eerzuchtige woelzieke lieden bereiden gewoonlijk zelf de werktuigen van hun dood. Menig hoofd ging verloren wegens het grijpen naar de kroon.