1 Koningen 22:41-54
I. Hier is een kort bericht van de regering van Josafat koning van Juda, waarvan wij een veel vollediger bericht vinden in het boek van de Kronieken, evenals van de grootheid en Godsvrucht van die vorst, die door niets verminderd of bezoedeld werd dan door zijn gemeenzaamheid met het huis van Achab, die in verschillende opzichten een vermindering voor hem was. Zijn verbond met Achab in de strijd hebben wij reeds gevaarlijk voor hem bevonden, en zijn verbond met Achabs zoon Ahazia in koophandel was evenmin voordelig. Hij bood aan om zijn deelgenoot te zijn in een vloot van koopvaardijschepen die goud van Ofir zouden halen, zoals Salomo's schepen gedaan hadden, vers 48. Zie 2 Kronieken 20:35, 36. Maar toen zij gereed waren om onder zeil te gaan, werden zij uitermate geteisterd door een storm, gebroken te Ezeon-Geber, hetgeen, naar een profeet aan Josafat te kennen gaf, een bestraffing voor hem was wegens zijn verbond met de goddeloze Ahazia, 2 Kronieken 20:37. Daarom heeft hij, zoals ons hier bericht wordt, vers 49, toen Ahazia voor de tweede maal begeerde om deelgenoot met hem te zijn of, zo dat niet kon, tenminste zijn knechten met enige goederen aan boord van Josafats schepen te zenden, geweigerd, Josafat wilde niet. Gods roede, aangetoond door Gods woord, had hem voor goed afgebracht van een verbintenis met die goddeloze, ongelukkige vorst. Het is beter wijsheid tot een dure prijs te verkrijgen dan er zonder te blijven, maar daarom wordt gezegd dat ondervinding de leermeester is van de dwazen, omdat het dwazen zijn, die niet anders dan door ondervinding willen leren onder andere hoe gevaarlijk het is om zich met goddelozen te verbinden.
Josafats regering was geen van de langste, maar wèl een van de beste.
1. Het was geen van de langste, want hij regeerde slechts vijf en twintig jaren, vers 42, maar het was in de bloei van zijn jaren, tussen vijf en dertig en zestig, en deze vijf en twintig jaren, gevoegd bij de gelukkige een en veertig van zijn vader, geven ons een aangenaam denkbeeld van de bloeiende toestand van het rijk van Juda en van de Godsdienst er in gedurende lange tijd, terwijl de zaken in alle opzichten zeer slecht stonden in het rijk van Israël. Josafat heeft wel niet zolang geregeerd als zijn vader, maar daarentegen had hij niet de fouten, die het laatste gedeelte van de regering van zijn vaders hebben aangekleefd, 2 Kronieken 16:9,10, en het is beter voor een mens, die vermaard is geworden om wijsheid en eer, in het midden er van te sterven dan die vermaardheid te overleven.
2. Maar het was een van de beste, in Godsvrucht zowel als in voorspoed.
a. Hij deed wat recht was in de ogen des Heeren, vers 43 nam de geboden zijns Gods waar, trad in de voetstappen van zijn Godvruchtige vader, en volhardde hierin, hij week daarvan niet af. Evenwel in het karakter van iedere mens is het een of andere maar, en dit was ook in het zijne, de hoogten werden niet weggenomen, neen zelfs niet uit Juda en Benjamin hoewel die stammen zo dicht bij Jeruzalem lagen, dat zij gemakkelijk hun offeranden en hun reukwerk naar het altaar aldaar konden brengen, en niet, zoals sommige andere stammen, zich konden verontschuldigen met het ongerieflijke van veraf gelegen te zijn, maar oude misbruiken zijn moeilijk uit te roeien, in het bijzonder als zij vroeger gesteund werden door hen die Godvruchtig waren, zoals de hoogten gesteund werden door Samuël, Salomo en anderen.
b. Het ging goed met zijn zaken. Hij voorkwam de onheilen, die voortvloeiden uit hun oorlogen met het rijk van Israël, een duurzamer vrede vestigende, vers 44, die nog groter zegen zou geweest zijn, indien hij zich vergenoegd had met vrede, en niet naar verwantschap met Israël gestaan had. Hij stelde een landvoogd of onderkoning aan in Edom, zodat dit koninkrijk hem schatplichtig was, vers 47, en daarin was de profetie betreffende Ezau en Jakob vervuld dat de meerdere, of de oudste, de mindere, of de jongste, zal dienen, en in het algemeen wordt melding gemaakt van zijn macht en zijn oorlogen, vers 45. Hij behaagde God, en God zegende hem met kracht en voorspoed. Van zijn dood wordt gesproken in vers 50, om zijn geschiedenis te besluiten, maar in de geschiedenis van de koningen van Israël wordt hij later vermeld, 2 Koningen 3:7.
II. Het begin van de geschiedenis van Ahazia, de zoon van Achab, vers 51-54. Zijn regering was zeer kort, nog geen twee jaren heeft zij geduurd. Met sommige zondaren rekent God spoedig af. Het is een zeer slecht karakter, dat hem hier wordt toegeschreven, hij heeft niet slechts de afgoderij van Jerobeam in stand gehouden, maar ook evenzeer de Baälsdienst, hoewel hij gehoord had van het verderf over Jerobeams geslacht, en gezien had hoe zijn vader door de profeten van Baäl ten verderve was gebracht, die dikwijls gebleken waren valse profeten te zijn, toch heeft hij er geen lering uit getrokken, heeft hij er zich niet door laten waarschuwen, maar volgde het voorbeeld van de goddeloze vader en de raad van zijn nog goddelozer moeder Izebel, die nog leefde. Ongelukkig zijn de kinderen, die niet alleen de verdorvenheden van hun ouders overnemen, maar van hen leren er handel mee te drijven, en rampzalig, driewerf rampzalig, zijn de ouders, die er toe meewerken om de ziel hunner kinderen tot verdoemenis te brengen.