Leviticus 25:23-38
I. Hier is een wet betreffende onroerende goederen van de Israëlieten in het land Kanaän en de overdracht er van.
1. Geen land mocht verkocht en voor altijd vervreemd worden van het geslacht, waaraan het bij de verdeling van het land ten deel was gevallen. En de reden, die er voor is gegeven is: want het land is Mijn, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt, vers 23.
a. Daar God een bijzonder eigendomsrecht heeft in dit land, wilde Hij door dit bevel hen hiervan bewust doen blijven. Godvruchtige mensen hebben zich met alles wat zij hebben aan God gegeven, en daarom zijn hun bezittingen in zeer bijzondere zin tot Zijn beschikking, en aan Zijn beschikking hebben zij zich te onderwerpen.
b. Daar zij vreemdelingen en bijwoners bij Hem zijn in dat land, en daar Hij Zijn tabernakel onder hen heeft, zou het vervreemden van hun deel van dat land in werkelijkheid zijn een zich afsnijden van gemeenschap met God, waarvan het een teken en symbool was. Hierom wilde Naboth zich liever aan de toorn van de koning blootstellen, dan van het erfdeel van zijn vaderen afstand te doen, I Kon. 21:3.
2. Dat, zo iemand door armoede gedwongen was zijn land te verkopen ten einde zijn gezin te onderhouden, hij het echter, zo hij er later toe instaat was, vóór het jubeljaar mocht lossen, vers 24, 26, 27, en dan moest de prijs vastgesteld worden naar het getal van de jaren, die verlopen waren sedert hij het verkocht heeft en vóór het jubeljaar.
3. Dat, zo de persoon zelf niet bij machte was het te lossen, zijn naaste bloedverwant dit mocht doen, vers 25. Zijn losser, die zijn nabestaande is, zal komen, en zal het verkochte van zijn broeders lossen. De nabestaande wordt "goeel", de verlosser, genoemd. Numeri 5:8, Ruth 3:9 aan wie het recht behoorde om het land te lossen. En dit was een type van Christus, die onze natuur heeft aangenomen, ten einde onze nabestaande te zijn, been van ons been, en vlees van ons vlees, en daar Hij onze enige nabestaande is, die bij machte is het te doen, behoort Hem het recht van de verlossing. Wat alle andere bloedverwanten betreft, hun schoen moet uitgetrokken worden, Ruth 4:6,7 zij zijn onmachtig om te verlossen, maar Christus kan het, en Hij heeft het erfdeel gelost, dat wij door de zonde verbeurd en vervreemd hebben, en Hij heeft het opnieuw bevestigd aan allen, die door het geloof aan Hem verwant worden. Wij weten dat deze Verlosser leeft, Job 19 25. En sommigen achten dat deze plicht van de nabestaande de broederlijke liefde betekent, die er onder Christenen behoort te wezen, en hen er toe neigt om hen, die gevallen zijn, op te richten en hen met de geest van de zachtmoedigheid terecht te brengen.
4. Dat het land, zo het niet vóór het jubeljaar gelost was, dan als vanzelf zou wederkeren tot hem, die het verkocht of verpand had, vers 28, in het jubeljaar zal het uitgaan. Dit was een beeld van de vrije genade Gods jegens ons in Christus, door welke-en niet door enigerlei verdienste van onszelf-wij in de gunst Gods zijn hersteld, en recht verkrijgen op het paradijs, waarvan onze eerste ouders, en wij in hen, wegens ongehoorzaamheid verdreven zijn.
5. Een verschil gesteld tussen huizen in bemuurde steden en landerijen of huizen in dorpen. Huizen in bemuurde steden waren, meer dan land, de vrucht van hun eigen vlijt, daar land meer onmiddellijk de gave was van Gods goedheid, en daarom kon iemand, die een huis in een stad verkocht, het wel binnen een jaar na de verkoop lossen, maar anders verbleef het voor altijd aan de koper, en zou niet tot de vorige eigenaar wederkeren, neen, zelfs niet in het jubeljaar, vers 29, 30. Deze bepaling was gemaakt om vreemdelingen en proselieten er toe aan te moedigen zich onder hen te vestigen. Hoewel deze voor zich en hun erfgenamen geen land in Kanaän konden kopen, mochten zij wel huizen kopen in bemuurde steden, hetgeen het gerieflijkst was voor hen, die verondersteld werden kooplieden te zijn. Maar over landhuizen kon niet anders beschikt worden dan over land.
6. Er is een clausule gemaakt, bij wijze van uitzondering, op deze regelen ten gunste van de Levieten.
a. Woonhuizen in de steden van de Levieten konden te allen tijde gelost worden, en, zo zij niet gelost werden, zullen zij toch in het jubeljaar uitgaan, dat zij weer in het bezit van de vorige eigenaar komen, vers 32, 33, omdat de Levieten geen andere bezittingen hadden dan steden met haar voorsteden, en God wilde tonen, dat de Levieten Zijn bijzondere zorg waren, en het in het belang was van het publiek, dat zij niet verarmden en niet uit hun erfdeel gestoten werden.
b. De velden rondom hun steden mochten nooit verkocht worden, Numeri 35:4, 5, want die waren niet het eigendom van de Levieten, maar van de stad van de Levieten, als corporatie, en dus konden zij niet vervreemd worden zonder onrecht aan hun stam, indien dus zodanig veld verkocht was, dan was de koop van nul en gener waarde, vers 34. Zelfs de Egyptenaren droegen zorg om het land van de priesters te behouden Genesis 47:22. En er is geen mindere reden voor, om het onderhoud van de bedienaars van het Evangelie onder de bijzondere bescherming van Christelijke regeringen te stellen.
II. Ene wet voor de ondersteuning van de armen, en de meedogende behandeling van arme schuldenaars, en deze zijn van meer algemene en blijvende verplichting dan de vorige.
1. De armen moeten ondersteund worden vers 35. Hier wordt:
a. Armoede verondersteld bij onze broeder. Als uw broeder zal verarmd zijn, niet alleen uw broeder als lid van uw volk, dus een Jood, maar uw broeder van nature, als mens, want er volgt op, zelfs een vreemdeling en bijwoner. Alle mensen moeten beschouwd en behandeld worden als broeders, want "allen hebben wij één Vader," Maleachi 2:10. Hoewel hij arm is, is hij toch uw broeder, en moet hij als broeder erkend en bemind worden. Armoede doet deze verwantschap niet teniet. Hoewel hij een zoon van Abraham is, kan hij toch verarmen en zijn hand wankelen, dat is: hij kan tot verval komen. Armoede en verval zijn zware beproevingen en komen zeer dikwijls voor, de armen hebt gij altijd met u.
b. De plicht, ons opgelegd: gij zult hem vasthouden, dat is: gij zult hem ondersteunen. Door medegevoel, medelijden te hebben met de armen, door dienstbetoon, door iets voor hen te doen, en door ondersteuning, hun gevende, naar hun behoefte en naar uw vermogen.
2. Arme schuldenaren moeten niet verdrukt worden. Indien uw broeder verarmd is, en het nodig heeft tot onderhoud van zijn gezin geld van u te lenen, dan zult gij geen woeker of overwinst van hem nemen, noch voor geld, noch voor spijs vers 36, 37. En in zoverre is die wet nog bindend, maar kan nooit geacht worden bindend te zijn, waar geld geleend wordt voor de aankoop van land, voor de handel of om er op een andere wijze winst mee te doen want in die gevallen is het billijk, dat hij die in leen geeft, deelt in de winst met hem, die in leen neemt. Hier is de wet duidelijk bedoeld ter ondersteuning van de armen, aan wie iets te lenen soms groter weldaad is, dan hun iets te geven. Let op de argumenten, hier gebruikt, tegen afpersing.
a. God beschermt de armen, "gij zult vrezen voor uw God, die u rekenschap zal afeisen van al het nadeel, toegebracht aan de armen, het onrecht, dat hun aangedaan is, gij vreest hen niet, zo vrees dan Hem."
b. Ondersteun de armen opdat zij bij u leven, en u op de een of andere wijze van dienst zijn. De rijken kunnen de handen van de armen evenmin missen, als de armen de beurzen van de rijken kunnen missen.
c. Hetzelfde argument wordt gebruikt om kracht bij de zetten aan dit gebod, dat als inleiding werd gebruikt voor al de tien geboden, vers 38. Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland gevoerd heb. Het betaamt u, aan wie barmhartigheid geschied is, barmhartigheid te betonen. Als God voor ons genadig is geweest, dan moeten wij niet straf en hard zijn voor onze broederen.