1 Koningen 20:12-21
De onderhandeling tussen de belegerden en de belegeraars plotseling afgebroken zijnde hebben wij hier een bericht van de veldslag, die terstond plaats had.
I. De Syriërs, de belegeraars, ontvingen hun orders van een dronken koning, die zijn bevelen gaf over de wijnbeker heen, terwijl hij dronk, vers 12, zich dronken dronk in de tenten, hij en de twee en dertig koningen, die hem hielpen, vers 16, en dat nog wel op de middag. Dronkenschap is een zonde, waaraan heirlegers en hun aanvoerders zich vanouds af hebben overgegeven. Zeg dus niet dat de vroegere dagen in dit opzicht beter waren dan de tegenwoordige, hoewel deze slecht genoeg zijn. Indien hij niet zo zeker en gerust was geweest, hij zou niet neergezeten zijn om te drinken, en indien hij niet dronken ware geweest, hij zou zo heel gerust niet geweest zijn, gerustheid en zinnelijkheid gingen hand aan hand in de oude wereld en in Sodom, Lukas 17:26 en verv. Benhadads dronkenschap was de voorbode van zijn val, zoals zij het ook van Belsazar was, Dan.5. Hoe kon hij voorspoed hebben, die zijn vermaak stelde boven zijn werk, en zijn koningen bij zich hield om met hem te drinken, toen zij op hun post hadden moeten zijn om voor hem te strijden? In zijn dronkenschap:
1. Geeft hij bevel om de stad in te sluiten, de werptuigen op te stellen en alles in gereedheid te brengen voor een algemene aanval, vers 12, maar hij verlaat zijn dronkemanspartij niet om te zien, of zijn orders uitgevoerd worden. Wee u, o land, als uw koning zulk een kind is.
2. Toen de belegerden een uitval deden, (en op dat ogenblik was hij zeer dronken) gaf hij orders om hen levend te grijpen, vers 18. hen niet te doden, dat gemakkelijker en veiliger had kunnen geschieden, maar hen gevangen te nemen, hetgeen hun de gelegenheid gaf om hun aanvallers te doden. Zo onvoorzichtig was hij in de orders, die hij gaf, zowel als onrechtvaardig door te bevelen om hen gevangen te nemen, al kwamen zij ook met vredesvoorstellen, of om de onderhandeling te heropenen. En, zoals het gewoonlijk gaat: hij drinkt en vergeet de inzetting, de staatkunde, zowel als de gerechtigheid van de krijg.
II. De Israëlieten, de belegerden, ontvingen hun orders van een door Gods Geest bezielde profeet, één van de profeten des Heeren, die Achab had gehaat en vervolgd. En zie, een profeet, trad toe tot Achab, de koning Israëls, zo zou vers 13 gelezen kunnen worden. Zie en verwonder u, dat God een profeet zou zenden met een vriendelijke boodschap tot zo goddeloos een vorst als Achab was, maar Hij deed het:
1.Ter wille van Zijn volk Israël, dat, hoe goddeloos ook ontaard, toch het zaad was van Abraham, Zijn vriend, en Jakob, Zijn uitverkorene, de kinderen van het verbond, die nog niet verstoten waren.
2. Ten einde Zijn genade groot te maken door goed te doen aan een, die zo boos was en zo ondankbaar, waardoor hij òf tot bekering kon komen, òf anders nog meer zonder verontschuldiging gelaten zou worden.
3. Ten einde de hoogmoed te vernederen van Benhadad en zijn onbeschaamdheid te bestraffen. Achabs afgoderij zal later gestraft worden, maar Benhadads hoogmoed zal nu worden gestraft, want God weerstaat de hovaardigen, en het behaagt Hem te zeggen dat "Hij de toorn van de vijand schroomt," Deuteronomium 32:26 Er was misschien slechts een profeet in Samaria, en hij trad toe met deze boodschap te kennen gevende dat hij genoodzaakt was geweest op een afstand te blijven. In zijn tijd van voorspoed zou Achab hem niet in zijn tegenwoordigheid geduld hebben, maar nu geen van de profeten van het bos hem hulp kon bieden, heet hij hem welkom. Hij heeft naar geen profeet des Heeren gevraagd, maar God zond hem er een ongevraagd, want Hij wacht om genadig te zijn.
A. Deze profeet nu bemoedigt hem met een verzekering van overwinning, hetgeen meer was dan al de oudsten van Israël hem geven konden. Deze profeet, die niet genoemd wordt (want hij sprak in de naam Gods), zegt hem van Godswege, dat op deze zelfde dag het beleg opgebroken en het leger van de Syriërs verslagen zal worden, vers 13. Toen de profeet sprak: Zo zegt de Heere, is Achab-naar wij kunnen onderstellen-begonnen te beven, verwachtende een boodschap van toorn te zullen ontvangen, maar hij haalt weer adem, nu het blijkt een genaderijke boodschap te zijn. Hij wordt indachtig gemaakt aan het gebruik, dat hij van deze gezegende omkeer van de zaken moet maken: "Opdat gij weet dat Ik JAHWEH ben, de soevereine Heer van allen." Dat God iets voorzeide, dat zo onwaarschijnlijk was, bewees dat het Zijn doen was.
B. Hij onderricht hem in hetgeen hij te doen heeft om deze overwinning te behalen.
a. Hij moet niet wachten totdat de vijand hem aanvalt, maar moet een uitval doen tegen hen, en hen overvallen in hun loopgraven.
b. De personen, die gebruikt moeten worden, zijn de jongens van de oversten van de landschappen, de pages, de dienaren, die weinigen in aantal waren, slechts twee honderd twee en dertig volstrekt onbekend met krijgszaken, mannen aan wie men nooit voor zo'n dappere onderneming gedacht zou hebben, toch moeten deze het doen, deze zwakken moeten de werktuigen zijn om de wijzen en de sterken te beschamen, opdat, terwijl Benhadads roemen gestraft wordt, Achabs roemen buitengesloten zal zijn, en de uitnemendheid van de kracht van God zal zijn.
c. Achab moet in zoverre zijn vertrouwen op het woord van God getuigen, dat hij in persoon het bevel moet voeren, hoewel hij zich-voor het oog van het verstand-aan het grootst-mogelijke gevaar blootstelde, maar het is betamelijk, dat zij, die het voordeel van Gods beloften ontvangen zich naar Zijn voorschriften gedragen. Maar,
d. Het wordt hem vergund gebruik te maken van de krijgsmacht, die hij heeft, om de slag te vervolgen, nadat deze jongens het ijs hadden gebroken. Het hele leger, dat hij in Samaria of onder zijn bereik had, bestond slechts uit zeven duizend man, vers 15. Het is opmerkelijk dat hun getal gelijk is aan dat van hen, die de knieën niet voor Baäl hadden gebogen, Hoofdstuk 19:18, hoewel zij toch waarschijnlijk niet dezelfde waren.
III. De uitkomst beantwoordde aan de voorzegging, de trotse Syriërs werden geslagen, en de arme, verachte Israëlieten waren meer dan overwinnaars, de jongens, door de kleine krijgsmacht ondersteund, vielen des middags, op de tijd van het middagmaal de Syriërs aan vers 16. In het eerst heeft Benhadad hen veracht, vers 18, maar toen zij met ongeëvenaarde dapperheid en behendigheid ieder zijn man sloegen, en aldus het leger in wanorde brachten, durfde die trotsaard hen niet tegentreden, maar, dronken als hij was, steeg hij terstond te paard, en redde zich door de vlucht vers 20. Zie hoe God de geest van de vorsten als druiven afsnijdt, en zich de koningen van de aarde vreeslijk maakt. Waar is nu het zilver en goud, dat hij van Achab eiste? Waar zijn de handvollen van het stof van Samaria? Zij, die het meest gerust zijn, zijn gewoonlijk het minst moedig. Achab verzuimde niet van dit voordeel gebruik te maken, maar bracht een grote slag toe aan de Syriërs, vers 21. God maakt dikwijls de ene goddeloze tot een gesel voor de andere.