1 Koningen 1:5-10
David was zeer beproefd in zijn kinderen, Amnon en Absalom zijn beide zijn verdriet geweest, de een, zijn eerstgeborene de andere zijn derde, 2 Samuël 3:2, 3. In zijn tweede die hij bij Abigaïl had, heeft hij misschien wel vertroosting gesmaakt. Zijn vierde was Adonia 2 Samuël 3:4, hij was een dergenen die te Hebron geboren waren. Tot nu toe hadden wij nog niets van hem gehoord, en hier wordt ons gezegd dat hij een schoon man was, en dat hij in leeftijd na Absalom kwam, wiens aard en gezindheid hij ook zeer nabij kwam, en dat hij in zijns vaders ogen een juweel was, maar nu een doorn was.
I. Zijn vader had een lieveling van hem gemaakt, vers 6. Hij had hem nooit bedroefd van zijn dagen. Er wordt niet gezegd dat hij zijn vader nooit bedroefd had, waarschijnlijk heeft hij dit dikwijls gedaan, en heeft zijn vader in het verborgene verdriet gehad van zijn wangedrag en het voor God betreurd, maar zijn vader heeft hem niet bedroefd, hetzij door hem tegen te staan in zijn neigingen of hem iets te weigeren, dat hij begeerde, of door hem rekenschap te vragen van hetgeen hij gedaan had, of waar hij geweest was, of door hem bij zijn werk, zijn zaken te houden, of hem te bestraffen voor hetgeen hij gezien en gehoord of verkeerds gedaan had, nooit heeft hij tot hem gezegd: Waarom hebt gij alzo gedaan omdat hij zag dat hij dit niet kon dragen zonder er door verbitterd te worden. Het was de schuld van de zoon, dat hij geen bestraffing kon verdragen, en haar als een belediging opnam, waardoor hij er het voordeel, de weldaad van verloor. En het was de schuld des vaders, dat hij hem, wijl hij zag dat het hem mishaagde, niet heeft bestraft, en nu moest hij rechtvaardig lijden voor zijn toegeven aan hem. Zij, die hun zonen meer eren dan God, dat diegenen doen, die hen niet onder goede tucht houden, verbeuren de eer, die zij van hun zonen konden verwachten.
II. Hij, van zijn zijde, maakte zijn vader tot een zot. Omdat hij oud en bedlegerig was, dacht hij dat er geen acht op hem behoefde geslagen te worden, en daarom verhief hij zich, zeggende: ik zal koning zijn, vers 5. Kinderen, aan wie altijd werd toegegeven, komen er toe om trots en eerzuchtig te zijn, en dat is het verderf van veel jonge lieden. Het middel om hen nederig te houden is hen naar beneden te houden, hen kort te houden. Let op de onbeschaamdheid van Adonia:
1. Hij beschouwt de dagen van rouw over zijn vader als zeer nabij, en daarom bereidt hij zich om hem op te volgen, hoewel hij wist dat beide door de aanwijzing van God en van David Salomo de man moest wezen, want dit was door David zelf openlijk bekendgemaakt, en de opvolging was als het ware door een acte van het parlement, geregeld ingevolge het bevel van God, 1 Kronieken 22:9, 23:1. Dit erfrecht trachtte Adonia met geweld te vernietigen, in minachting beide van God en van zijn vader. Zo wordt ook het koninkrijk van Christus tegengestaan, en er zijn van de zodanigen, die zeggen: "Wij willen niet dat deze koning over ons zij".
2. Hij beschouwt zijn vader als door ouderdom ongeschikt geworden voor de regering, en daarom wil hij zich maar terstond in het bezit stellen van de troon. Hij kan niet wachten totdat zijn vader het hoofd neergelegd heeft, thans reeds moet gezegd worden: Adonia is koning, vers 18 en de koning Adonia leve! vers 25. Zijn vader is niet geschikt om te regeren, want hij is oud, en ook Salomo niet, want hij is jong en nog niet rijp er voor, en daarom zal Adonia de regering maar op zich nemen. Het toont een zeer lage en goddeloze gezindheid in kinderen, om hun ouders te beledigen omdat zij oud zijn of vanwege de gebreken van hun ouderdom. Ingevolge van dit zijn eerzuchtig vooruitzicht:
a. Nam hij een groot gevolg, vers 5, wagens en ruiteren, zowel tot staatsie als voor machtsbetoon, om hem te vergezellen, te dienen en voor hem te strijden.
b. Hij wist tot zijn zijde over te halen geen minderen dan Joab de krijgsoverste, en Abjathar, de hogepriester, vers 7. Het is niet vreemd dat hij hen voor zich trachtte te winnen, die door hun invloed in de kerk en in het leger in staat waren hem van grote dienst te zijn, maar wel kunnen wij ons verwonderd afvragen door welke kunstenarijen zij er toe gebracht werden hem te volgen en te helpen. Het waren bejaarde mannen, die aan David trouw zijn geweest in de hachelijkste en moeilijkste tijden, mannen van verstand en ervaring, die zich, naar men zou denken, niet zo maar door flikflooierijen zouden laten bepraten. Zij konden er geen voordeel voor henzelf van hopen, want beiden hadden het hoogste ambt, dat voor hen openstond, en waren er in bevestigd. Het kon hun niet onbekend zijn dat het erfrecht van de kroon op Salomo was vastgesteld, en het was niet in hun macht dit te veranderen, het was dus in hun belang hem te verplichten. Maar God heeft hen in deze zaak aan henzelf overgelaten, misschien wel om henzelf te straffen voor een vroeger wangedrag, hen te kastijden met een roede, die zij zelf gemaakt hebben. In vers 8 wordt ons gezegd wie van zo'n beproefde trouw waren aan David, dat Adonia de stoutheid niet had om het hun ook maar voor te stellen om hem te volgen: Zadok, Benaja en Nathan. Een man, die bewijzen heeft gegeven van zijn standvastig aankleven van hetgeen goed is, zal niet gevraagd worden om te doen wat slecht is.
c. Hij bereidde een groot feestmaal, vers 9, bij de fontein Rogel, niet ver van Jeruzalem, zijn gasten waren de zonen des konings en de dienaren des konings, die hij onthaalde en vleide om hen tot zijn partij over te halen-maar Salomo was niet genodigd, hetzij omdat hij hem verachtte of omdat hij aan hem wanhoopte, vers 10. Zij, die hun buik dienen en de belangen willen voorstaan van hen, die hen onthalen, aan welke zijde zij ook zijn, zullen een gemakkelijke prooi wezen voor verleiders, Romeinen 16:18. Sommigen denken dat Adonia deze schapen en ossen en gemest vee slachtte tot offeranden en dat het een Godsdienstig feestmaal was, hetwelk hij aanrichtte, zijn overweldiging beginnende met een vertoon van vroomheid zoals Absalom onder schijn van een gelofte te betalen, 2 Samuël 15:7, hetgeen hij onder meer schijn van waarheid doen kon, nu hij de hogepriester zelf aan zijn zijde had. Het is te betreuren dat er ooit aanleiding gegeven werd om te zeggen: "In nomine Domine incipit omne malum-In de naam des Heren begint alle kwaad," en dat oefeningen van de Godsvrucht tot dekmantel dienden van onrechtvaardige handelingen.