1 Koningen 1:11-31
Wij hebben hier de krachtdadige pogingen, gedaan door Nathan en Bathseba om de bekrachtiging te verkrijgen van Salomo's opvolging, en de overweldiging van Adonia teniet te doen.
1. David zelf wist niet wat er gaande was. Ongehoorzame kinderen denken dat het volkomen goed met hen gaat, zo zij slechts hun goede bejaarde ouders onbekend kunnen houden met hun slechte handelingen, maar het gevleugelde zou het woord te kennen geven.
2. Bathseba leefde in afzondering en wist er niets van voordat Nathan het haar mededeelde. Velen gaan troostrijk door deze wereld, die er weinig van weten hoe het in de wereld toegaat.
3. Salomo heeft er waarschijnlijk wel van geweten, maar was als een dove, hij hoorde niet. Hoewel hij zijn jaren had, en wijsheid had boven zijn jaren, zien wij toch niet dat hij iets doet, om Adonia tegenstand te bieden, hij hield zich rustig en kalm, en liet het aan God en zijn vrienden over om de zaak in orde te brengen. Vandaar dat David in zijn psalm voor Salomo opmerkt, dat terwijl de mensen, die de wereld najagen, tevergeefs vroeg opstaan en laat opblijven, God geeft Zijn beminden, ( Zijnen Jedidjah's) slaap, geeft hun rustig te zijn en hun doel te bereiken zonder beroering of onrust, Psalm 127:1, 2. Hoe wordt dan nu het plan ten uitvoer gebracht?
I. De profeet Nathan doet Bathseba opschrikken door haar met de zaak bekend te maken, en geeft haar het middel aan de hand om een order van de koning te verkrijging ter bevestiging van Salomo's recht op de troon. Hij stelde groot belang in de zaak, omdat hij Gods wil hieromtrent kende, en de belangen van David en Israël, het was door hem, dat God Salomo Jedidjah had genoemd, 2 Samuël 12:25, daarom kon hij niet stil toezien dat de troon overweldigd werd, waarop Salomo, naar hij wist, recht had door de wil van Hem van wie de verhoging komt. Als onmiddellijk door de hemel over kronen wordt beschikt, dan is het niet te verwonderen dat profeten er zoveel belang in stellen en gebruikt werden voor die zaak, maar thans, nu de gewone voorzienigheid de zaken bestuurt van het koninkrijk van de mensen, Daniël 4:32, moet de ondergeschikte werkzaamheid desbetreffende overgelaten worden aan gewone personen, en moeten de profeten er zich niet mee inlaten, maar zich bepalen bij de zaken van het koninkrijk Gods onder de mensen. Nathan wendt zich tot Bathseba, daar Salomo's belangen haar het meest ter harte gingen, en zij het gemakkelijkst toegang tot David kon krijgen. Hij maakte haar bekend met Adonia's onderneming, vers 11, en dat David er zijn toestemming niet voor gegeven had, ja er niet eens kennis van droeg. Hij stelt haar voor ogen dat Salomo niet slechts gevaar liep de kroon te verliezen, maar dat hij, en ook zij, in gevaar waren hun leven te verliezen indien Adonia de bovenhand behield. Voor een ootmoedig hart kan een kroon wel een onverschillige zaak zijn, maar de wet van het zelfbehoud, evenals het zesde gebod, gebiedt ons alle mogelijke pogingen aan te wenden om ons eigen en anderer leven te beveiligen. Nu dan, zegt Nathan laat mij u toch een raad geven dat gij uw ziel en de ziel van uw zoon Salomo dat is: uw beider leven, redt, vers 12. Zodanig is ook de raad, die Christus' dienstknechten ons geven in Zijn naam, namelijk wel toe te zien, niet alleen dat niemand onze kroon neme, Openbaring 3:11, maar dat wij ons leven behouden, namelijk het leven van onze ziel. Hij zegt haar tot de koning te gaan, vers 13, om hem te herinneren aan zijn woord en zijn eed, dat Salomo zijn opvolger zijn zal, en hem op de nederigste wijze te vragen: Waarom dan is Adonia koning? Hij dacht dat David niet zo oud en koud was, of dit zou hem warm maken. Het geweten en een gevoel van eer zullen leven in hem brengen bij een gelegenheid als deze, en hij belooft haar dat, terwijl zij nog met de koning zou spreken over deze zaak, hij komen zal om haar te ondersteunen en haar woorden bevestigen, vers 14. De koning zou hierin een leiding zien van de voorzienigheid Gods, hij was iemand, die placht daarop acht te geven 1 Samuël 25:32, 33.
II. Overeenkomstig deze raad gaat Bathseba terstond tot de koning met dezelfde boodschap, waarmee Esther tot koning Ahasveros is gegaan, namelijk met de bede om haar leven. Zij behoefde niet, zoals Esther, te wachten tot zij geroepen werd, zij wist dat zij te allen tijde welkom zou zijn, maar er wordt opgemerkt dat, toen zij de koning bezocht, Abisag hem diende, vers 15, en dat Bathseba er noch op hem, noch op haar, misnoegd om was. En ook dat zij het hoofd neigde en zich neerboog voor de koning, vers 16, ten teken van haar eerbied voor hem, beide als haar vorst en haar echtgenoot, zo'n ware dochter was zij van Sara, die Abraham gehoorzaamde en hem haar heer noemde. Zij, die bij hun meerderen gunst wensen te vinden, moeten hun eerbied betonen en hun gehoorzaam zijn, van wie zij vriendelijkheid wensen te ontvangen. Haar toespraak tot de koning bij deze gelegenheid is zeer bescheiden.
1. Zij herinnert hem aan de belofte, die hij haar gedaan had en met een plechtige eed had bevestigd, dat Salomo hem zou opvolgen, vers 17. Zij wist hoe zo'n nauwgezet man als David was, zich hierdoor gebonden zou achten.
2. Zij geeft hem kennis van Adonia's aanslag, waarvan hij nog niets wist, vers 18. "Adonia regeert, voor het ogenblik in mededinging met u, en in tegenspraak met u voor de toekomst. Het is niet uw schuld, want gij wist het niet, maar nu gij het weet, zult gij ingevolge uw belofte zorg dragen, om er een einde aan te maken." Zij zegt hem wie zijn gasten waren, en wie tot zijn partij behoren, maar uw knecht Salomo heeft hij niet genood hetgeen duidelijk aantoont dat hij hem als zijn mededinger beschouwt, en hem zoekt te ondermijnen, vers 19. Het was geen vergissing geen voorbijzien, maar minachting van de acte van opvolging, dat Salomo aldus veronachtzaamd werd.
3. Zij voert aan dat het in zijn macht is, om dit kwaad teniet te doen, vers 20. De ogen van geheel Israël zijn op u, niet alleen als een koning, (want wij kunnen niet onderstellen dat een vorst het recht heeft zijn onderdanen bij uiterste wil te vermaken aan wie hij wil, alsof zij zijn have en goed waren) maar als een profeet, geheel Israël wist dat David niet alleen zelf de gezalfde was van de God Jakobs, maar dat de Geest des Heren door hem sprak, 2 Samuël 23:1, 2, en daarom, wachtende en vertrouwende op een Goddelijke aanwijzing voor een zaak van zoveel gewicht, zal Davids woord een Godsspraak en een wet voor hen zijn, dit verwachten zij dus, zegt Bathseba, en het zal een einde maken aan alle twist, en Adonia's pretenties de bodem inslaan. "Een Goddelijke spreuk is op de lippen des konings," Spreuken 16:10. Alle macht en invloed, die de mensen hebben, behoren zij te gebruiken ter bevordering en bewaring van het koningschap van de Messias, waarvan Salomo's koninkrijk een type is geweest.
4. Zij toont hem het dreigend gevaar, waaraan zij en haar zoon zullen blootgesteld zijn, indien deze zaak niet nog bij Davids leven geregeld werd, vers 21. Indien Adonia de overhand heeft, hetgeen wel waarschijnlijk is, daar hij Joab, de krijgsoverste, en Abjathar, de hogepriester, aan zijn zijde heeft, dan zullen Salomo en al zijn vrienden beschouwd worden als verraders, en als zodanigen worden behandeld, overweldigers zijn zeer wreed. Als Adonia op de troon ware gekomen hij zou met Salomo niet zo billijk gehandeld hebben als Salomo met hem gehandeld heeft. Diegenen bevinden zich in zeer groot gevaar, die hen in de weg staan, die zich met geweld ergens een toegang willen verschaffen.
III. Volgens zijn belofte is Nathan de profeet, intijds gekomen om haar te steunen, terwijl zij nog sprak en eer de koning haar geantwoord had. Want als hij alleen Bathseba's voorstelling van de zaak gehoord had, dan zou zijn antwoord misschien ontwijkend zijn geweest, hij zou misschien gezegd hebben dat hij er over zou denken, maar uit de mond van twee getuigen, twee zodanige getuigen, zal het woord bestaan, en nu zal hij terstond stellige orders geven. De koning wordt gezegd dat Nathan, de profeet, gekomen is. Nathan is er zeker van de koning altijd welkom te wezen, inzonderheid als hij zich niet wel gevoelt, of over gewichtige zaken heeft te denken, want in zo'n geval zal een profeet hem zeer van dienst wezen. Nathan weet dat hij eer moet geven aan wie eer toekomt, en daarom betoont hij de koning dezelfde eerbied nu hij hem ziek te bed vindt, als hij hem betoond zou hebben, indien hij hem zittende op zijn troon had gevonden, hij boog zich voor de koning op zijn aangezicht ter aarde, vers 23. Hij spreekt meer openlijk en vrijmoedig met de koning dan Bathseba hetgeen strookte met zijn hoedanigheid als profeet, en noodzakelijk was vanwege de kwijnende toestand des konings, waaruit hij opgewekt moest worden.
1. Hij geeft dezelfde voorstelling van Adonia's aanslag als Bathseba, vers 25, 26. er bij voegende, dat zijn partij reeds tot zo'n hoogte van aanmatiging was gekomen, dat zij riepen: Leve koning Adonia! alsof koning David reeds dood was, en hij maakt ook de opmerking, dat zij hem niet op hun feestmaal hadden genodigd. mij, die uw knecht ben, heeft hij niet genood, waarmee zij te kennen gaven dat zij besloten waren met God noch met David te rade te gaan in die zaak, want Nathan was een "secretioribus conciliis-innig bekend en vertrouwd met beider wil en bedoeling" Hij doet David opmerken van hoeveel belang het voor hem was, om duidelijk aan te tonen dat hij er de hand niet in heeft gehad. Hebt gij gezegd: Adonia zal na mij koning zijn? vers 24, en wederom, vers 27:is deze zaak van mijn heer de koning geschied? Zo ja, dan is hij niet zo getrouw aan Gods woord en zijn eigen woord, als wij van hem geloofden, zo neen, dan is het hoog tijd, dat wij getuigen tegen de overweldiging, en verklaren dat Salomo zijn opvolger zal zijn. Indien ja, waarom is Nathan, die niet slechts in het algemeen des konings vertrouweling is, maar inzonderheid betrokken is bij deze zaak, daar hij gebruikt werd om aan David Gods wil bekend te maken nopens de opvolging, er niet van verwittigd? Maar indien mijn heer de koning niets weet van de zaak (en voorzeker is dit het geval) aan welke vermetele onbeschaamdheid hebben Adonia en zijn partij zich dan niet schuldig gemaakt!" Aldus poogt hij des konings toorn tegen hen op te wekken, opdat hij te krachtiger zal handelen ter ondersteuning van Salomo's belangen. Godvruchtige mensen zouden hun plicht doen, indien zij er aan herinnerd en er toe opgewekt werden, en als hun gezegd werd, hoe nodig het is dat zij handelend optreden, en zij, die dit doen, bewijzen hun werkelijk een vriendendienst, zoals Nathan die hier aan David heeft bewezen.
IV. Hierop heeft David plechtig verklaard dat hij vast en onwankelbaar bleef bij zijn vorig besluit, dat Salomo zijn opvolger zal zijn. Bathseba wordt binnengeroepen, vers 28, en aan haar, als handelende voor en ten behoeve van haar zoon, geeft de koning opnieuw deze verzekering.
1. Hij herhaalt zijn vorige belofte en zijn eed, erkent dat hij haar gezworen heeft bij de Here, de Gods Israëls. dat Salomo na hem koning zal zijn, vers 30. Hoewel hij oud is, en zijn geheugen hem begint te falen, herinnert hij zich dit toch. Een eed is zo iets heiligs, dat de verplichting, die hij oplegt, niet verbroken kan worden, en zo iets plechtigs dat, naar men zou denken, de indruk er van niet uitgewist kan worden.
2. Hij bekrachtigt hem met een nieuwe eed, omdat de gelegenheid hem eiste. Zo waarachtig als de Here leeft, die mijn ziel uit alle nood verlost heeft-voorzeker, alzo zal ik te deze zelfde dage doen, zonder twisting en zonder uitstel. Deze eedsformule scheen toen bij plechtige gelegenheden in gebruik te zijn geweest, want wij vinden haar in 2 Samuël 4:9. En er is een dankbare erkentenis in opgesloten van Gods goedheid jegens hem, door hem veilig heen te brengen door al de moeilijkheden en gevaren op zijn weg, en waarvan hij nu melding maakt tot eer van God, zoals Jakob toen hij op zijn sterfbed lag, Genesis 48:16, aldus uit zijn eigen ervaring zijn zegel er op zettende, dat het waar was wat de Here door hem gesproken heeft, Psalm 34:23. "De Here verlost de ziel van Zijn knechten." Stervende heiligen behoren getuigen te zijn voor God en van Hem te spreken zoals zij Hem gevonden hebben. Misschien spreekt hij bij deze gelegenheid aldus ter aanmoediging van zijn zoon en opvolger, om in de benauwdheid, waarin ook hij komen kan, op God te vertrouwen.
Bathseba ontvangt deze verzekeringen, vers 31,.
a. Met grote eerbied voor de persoon des konings. Zij neigde zich met het aangezicht ter aarde voor de koning, terwijl Adonia en zijn partij hem beledigen.
b. Met hartelijke goede wensen voor de goede gezondheid des konings, mijn heer de koning David leve. Zo ver was het van haar te denken dat hij te lang leefde, dat zij bad dat hij voor eeuwig mocht leven, indien dat mogelijk ware, om de kroon, die hij droeg te versieren, en een zegen te wezen voor zijn volk. Wij moeten vurig begeren, dat het leven van nuttige mensen verlengd moge worden, hoezeer daar ook het uitstel van voordeel voor ons het gevolg van moge wezen.