1 Koningen 18:1-16
In deze verzen vinden wij de treurige toestand van Israël in die tijd, en dat wel in tweeërlei opzicht.
1. Izebel heeft de profeten des Heeren uitgeroeid, vers 4, hen gedood, vers 13. Afgoden dienende, was zij een vervolgster, en maakte Achab tot een vervolger. Zelfs in die boze tijden, toen de kalveren werden aangebeden en de tempel te Jeruzalem verlaten was, waren er nog vrome lieden, die God vreesden en Hem dienden, en enige goede profeten, die hen onderwezen in Zijn kennis en hen hielpen in hun aanbidding van God. De priesters en Levieten waren naar Juda en Jeruzalem gegaan, 2 Kronieken 11:13, 14, maar in hun plaats had God deze profeten verwekt, die in geheime bijeenkomsten de wet lazen en verklaarden of dit deden in gezinnen, die in hun oprechtheid hadden volhard, want wij lezen van geen synagogen in die tijd. Zij hadden de geest van de profetie niet zoals Elia, ook hebben zij geen offeranden geofferd of reukwerk gebrand, maar zij leerden het volk goed te leven en zich dicht aan de God van Israël te houden. Dezen zocht Izebel uit te roeien, en velen van hen heeft zij ter dood gebracht, hetgeen evenzeer een openbare ramp als een openbare ongerechtigheid was, en het geringe overblijfsel van de Godsdienst in het land Israëls met algehele ondergang dreigde. De weinigen, die aan het zwaard ontkomen waren, waren genoodzaakt zich schuil te houden, zicht te verbergen in spelonken, waarin zij als levend begraven waren en afgesneden, zoal niet van het leven, maar dan toch van nuttige zegenrijke werkzaamheid, dat het doel en de lieflijkheid is van het leven, en, als de profeten vervolgd en in hoeken gedreven werden, dan zijn hun vrienden, de weinige Godvruchtigen, die nog in het land waren overgebleven, ongetwijfeld evenzo behandeld geworden.
Maar hoe slecht de zaken ook stonden:
A. Er was een zeer goed man, die een groot, een aanzienlijk man was aan het hof, Obadja, wiens leven en karakter beantwoordden aan zijn naam: een dienstknecht des Heeren, een, die God vreesde en Hem getrouw was, en toch ook Achabs hofmeester was. Let op zijn karakter: hij was de Heere zeer vrezende, vers 3, was niet slechts een goed man, maar ijverig en uitnemend goed, zijn hoge betrekking zette luister bij aan zijn vroomheid, en gaf hem vele gelegenheden om goed te doen. En hij vreesde de Heere van zijn jonkheid aan, vers 12, hij begon vroeg Godsdienstig te zijn, en is het lang gebleven. Vroege Godsvrucht zal, naar wij kunnen hopen, uitnemende Godsvrucht worden, zij die bijtijds goed zijn, zullen waarschijnlijk zeer goed worden, hij, die God vreesde van zijn jonkheid aan, is er toe gekomen de Heere zeer vrezende te zijn. Wie voorspoedig wil zijn moet vroeg opstaan. Maar het is vreemd zo'n uitnemend Godvrezend man als hofmeester te vinden van Achab, een ambt van grote eer, macht en vertrouwen.
a. Het was vreemd dat zo'n goddeloos man als Achab hem er toe wilde bevorderen, en er hem in wilde handhaven, voorzeker moet het geweest zijn, omdat hij een man was bekend om zijn eerlijkheid, arbeidzaamheid en vernuft iemand in wie hij vertrouwen kon stellen wiens ogen hij evengoed kon vertrouwen als zijn eigen ogen, zoals hier blijkt, vers 5. Jozef en Daniël werden verhoogd, omdat niemand zo geschikt was voor de plaats, waartoe zij bevorderd werden. Zij, die de Godsdienst belijden, moeten er naar streven om zich door hun rechtschapenheid, trouw en naarstigheid in hun werk in de achting aan te bevelen zelfs van hen, die buiten zijn. b. Het was vreemd dat zo'n Godvruchtige man als Obadja bevordering wilde aannemen aan een hof, dat zo aan afgoderij was overgegeven en aan allerlei andere boosheid. Wij kunnen er ons van verzekerd houden, dat het niet als een noodzakelijk vereiste voor zijn bevordering gesteld was dat hij van des konings godsdienst moest wezen, zich met de inzettingen van Omri of de werken van het huis van Achab moest verenigen. Obadja zou de post niet hebben aangenomen, als hij hem niet kon hebben zonder de knie voor Baäl te buigen. Achab was ook niet zo onstaatkundig om diegenen van alle ambten buiten te sluiten, die geschikt waren om hem te dienen enkel en alleen, omdat zij zich niet met hem wilden verenigen in zijn eredienst, de man, die trouw is aan zijn God, zal ook trouw zijn aan zijn vorst. Obadja kon dus met een goed geweten zijn post waarnemen, en daarom wilde hij hem niet weigeren of hem opgeven, hoewel hij voorzag dat hij in die betrekking niet al het goed zou kunnen doen, dat hij wenste te doen. Zij, die God vrezen, behoeven niet uit de wereld te gaan, hoe slecht zij ook is.
c. Het was vreemd dat hij Achab niet tot bekering bracht of dat Achab hem niet verdierf, maar het schijnt dat zij beide standvastig waren, hij, die vuil was, zou nog vuil worden, en hij die heilig was, zou nog heilig worden. Zij, die God zeer vrezende zijn, zullen Zijn vrees bewaren ook in slechte tijden en plaatsen, en dat heeft Obadja gedaan. Onder allerlei soort van mensen heeft God Zijn overblijfsel, onder hoog en laag, er waren heiligen in het huis van Nero en in het huis van Achab.
B. Deze voorname en Godvruchtige man gebruikte zijn macht ter bescherming van Gods profeten. Honderd van hen heeft hij verborgen in twee spelonken, toen de vervolging heet was en hen onderhouden met brood en water, vers 4. Hij achtte het niet genoeg zelf Godvrezend te zijn, maar rijkdom en macht hebbende achtte hij zich verplicht om anderen, die God vreesden, te helpen en te ondersteunen, hij heeft ook niet gedacht dat zijn vriendelijkheid voor hen, hem vrijstelde om zelf goed en Godvrezend te zijn, neen, hij deed beide, zelf was hij God zeer vrezende, en hij beschermde hen, die Hem evenzo vreesden. Zie hoe God vrienden verwekt voor Zijn dienstknechten en Zijn volk, om hen te beschutten in moeilijke tijden, en wel daar, waar men ze het minst zou verwachten. Brood en water waren nu schaarse zaken, maar Obadja zal van beide Gods profeten genoeg voorzien om hen in het leven te behouden en hen voor latere arbeid te bewaren hoewel zij nu terzijde gezet zijn.
2. Toen Izebel Gods profeten uitroeide, sneed God hun het noodzakelijke voedsel af door de buitengewoon grote droogte. Misschien heeft Izebel Gods profeten vervolgd onder voorwendsel dat zij de oorzaak waren van het oordeel, omdat Elia het voorzegd had. "Christianos ad leones-de Christenen voor de leeuwen." Maar God deed hun het tegendeel weten, want de hongersnood hield aan totdat de profeten van Baäl geofferd waren, en er was zo'n schaarste van water, dat de koning zelf en Obadja in eigen persoon het land doortrokken om gras te zoeken voor het vee, vers 5, 6. De voorzienigheid heeft dit zo beschikt, opdat Achab met zijn eigen ogen zien zou hoe ontzettend de gevolgen waren van het oordeel, en dus eerder geneigd zou zijn te horen naar Elia, die hem het enige middel zou aanduiden om het te doen ophouden. Achabs zorg was om de beesten niet uit te roeien, velen hadden zij reeds verloren, maar hij droeg geen zorg voor zijn ziel, was niet bevreesd haar te verliezen. Hij gaf zich veel moeite om gras te zoeken, maar niet om de gunst van God te zoeken, strijdende tegen de uitwerking, maar niet vragende hoe hij de oorzaak kon wegnemen. Het land van Juda lag dicht bij het land Israëls, maar daar horen wij niet klagen over gebrek aan regen, "want Juda heerste nog met God, en was met de heiligen en de profeten getrouw," Hosea 12:1. Aan dit verschil had Israël duidelijk kunnen zien wat de grond en oorzaak was van Gods twisten met hen, toen "God heeft doen regenen over de ene stad, maar niet over de andere," Amos 4:7, 8, maar zij sloten hun ogen en verhardden hun hart, zij wilden niet zien.
II. De maatregelen genomen tot wegneming van het leed, doordat Elia weer ten tonele verschijnt, om nu te handelen als Thisbiet, dat is een hervormer van Israël, want dat is de betekenis (naar sommigen denken) van zijn titel. Wend hen wederom tot de Heere God van de heirscharen, van wie zij zijn afgevallen, en alles zal spoedig weer goed zijn: dit moest Elia's doen wezen. Zie Lukas 1:16, 17.
1. Achab had naarstig naar hem gezocht, vers 10, had een beloning uitgeloofd aan ieder, die hem zou ontdekken, had spionnen uitgezonden in iedere stam van zijn eigen gebied, zoals sommigen het verstaan, of zoals anderen onder alle naburige volken en koninkrijken, die in verbond met hem waren. En als zij ontkenden iets omtrent hem te weten, dan wilde hij hen niet geloven, tenzij zij het bezwoeren, en, evenzo-naar het schijnt-onder ede beloofden dat zij, indien zij hem ooit onder hen ontdekten, hem zouden uitleveren. Hij schijnt dit naarstig onderzoek naar hem ingesteld te hebben, niet zozeer om hem te straffen voor hetgeen hij gedaan had door het oordeel aan te kondigen, als wel om hem te noodzaken het te herroepen, omdat hij gezegd had dat het zou wezen naar zijn woord, daar hij een mening van hem had, zoals dwaze mensen koesteren van tovenaars, namelijk dat, zo zij hen slechts kunnen noodzaken datgene te zegenen wat zij betoverd hadden, alles weer wèl zou wezen, of zoals de koning van Moab had van Bileam. Hiertoe neig ik omdat Elia, toen zij samenkwamen, wetende wat Achab van hem verlangde, hem zei, samen met hem te komen op de berg Karmel, en Achab in die samenkomst bewilligde, hoewel Elia een middel aanwendde om het vonnis te herroepen en het land te zegenen, waaraan hij weinig gedacht zal hebben.
2. God gebood eindelijk aan Elia om zich aan Achab te vertonen, omdat nu de tijd gekomen was dat Hij regen zal geven op de aardbodem, vers 1, of liever op het land. Meer dan twee jaren was hij verborgen gebleven bij de weduwe te Zarfath, nadat hij een jaar verborgen was geweest bij de beek Krith, zodat het derde jaar van zijn verblijf aldaar, waarvan gesproken wordt in vers1, het vierde jaar was van de hongersnood, die in het geheel drie jaar en zes maanden heeft geduurd, zoals wij zien in Lukas 4:25, Jakobus 5:17. en Elia's ijver tegen de afgoderij van Baäl en zijn medelijden met zijn volk waren zo groot, dat hij het ongetwijfeld lang vond om aldus in een hoek te zijn opgesloten, toch is hij niet in het openbaar verschenen, voordat God hem gezegd had: "Ga heen, vertoon u aan Achab, want nu is uw ure gekomen, de tijd om Israël genadig te zijn." Het is een goed teken voor een volk, als God Zijn dienstknechten uit hun hoeken roept, en hun gebiedt zich te vertonen, een teken dat Hij regen zal geven op het aardrijk, wij kunnen tenminste beter tevreden zijn met het brood van de benauwdheid, zolang onze ogen onze leraars zien, Jesaja 30:20, 21.
3. Elia ontdekte het eerst Obadja. Hij wist door de Geest waar hij hem kon ontmoeten, en hier wordt ons meegedeeld wat er tussen hen voorviel.
A. Obadja begroette hem met grote eerbied. Hij viel op zijn aangezicht en vroeg ootmoedig: Zijt gij mijn heer Elia? vers 7. Gelijk hij de tederheid van een vader had betoond aan de zonen van de profeten, zo toonde hij de eerbied van een zoon aan deze vader van de profeten, en deed hierin blijken dat hij inderdaad de Heere zeer vreesde, dat hij eer bewees aan een man, die Zijn buitengewone gezant was en grote invloed had in de hemel. B. In zijn antwoord aan hem brengt Elia:
a. De benaming van de eer, die hij hem gaf, over op Achab. "Noem hem uw heer, niet mij", het is een gepaster titel voor een vorst dan voor een profeet, die geen eer van mensen zoekt. Profeten moeten zieners genoemd worden, en herders, en wachters, en dienstknechten, veeleer dan heren, als degenen, die meer hart hebben voor plichtsbetrachting dan voor het voeren van heerschappij.
b. Hij zegt aan Obadja de koning te gaan berichten, dat hij hier is om met hem te spreken. Zeg uw heer, zie, Elia is hier. Hij wil dat de koning het vooruit zou weten, opdat het hem geen verrassing zal zijn en hij er ook zeker van zou wezen dat het de eigen, vrijwillige daad was van de profeet om voor hem te verschijnen.
C. Obadja wenst voor verontschuldigd gehouden te worden om deze boodschap aan Achab te gaan brengen, want dit zou hem het leven kunnen kosten.
a. Hij deelt aan Elia mee hoe ijverige nasporingen Achab naar hem heeft laten doen, hoezeer hij zijn hart er op gezet had hem te ontdekken, vers 10.
b. Hij neemt aan als iets, dat vanzelf spreekt, dat Elia zich weer terug zal trekken, vers 12. De Geest des Heeren zou u wegnemen, ( zoals Hij waarschijnlijk soms gedaan heeft, toen Achab dacht zich zeker meester van hem te zullen maken), ik weet niet waarheen. Zie 2 Koningen 2:16. Hij dacht dat het Elia geen ernst was, toen hij hem gebood aan Achab te gaan zeggen waar hij was, maar dat hij slechts de onmacht van zijn boosaardigheid aan de dag wilde laten komen, want hij wist, dat Achab niet waardig was enigerlei vriendelijkheid van de profeet te ontvangen, en het voegde niet dat de profeet enigerlei kwade bejegening van hem zou ontvangen.
c. Hij is er zeker van dat Achab verwoed zou wezen over de teleurstelling, dat hij hem te dood zou brengen omdat hij hem misleid had, of omdat hij zelf Elia niet gevangen genomen had, toen hij onder zijn bereik was, vers 12. Tirannen en vervolgers zijn dikwijls buitensporig onredelijk zelfs tegenover hun vrienden en vertrouwelingen.
d. Hij voert aan dat hij niet verdient aldus aan levensgevaar te worden blootgesteld. Wat heb ik gezondigd? vers 9. Ja meer, vers 13. Is het mijn heer niet aangezegd, dat ik de profeten verborgen heb? Hij maakt hier melding van, niet in hoogmoed of om te pralen, maar om aan Elia de overtuiging te geven dat hij wel Achabs dienaar, maar niet van zijn gezindheid was, en daarom niet verdiende om bespot te worden, als een van de werktuigen van de vervolging. Hij, die zoveel profeten beschermd had, hoopte dat zijn eigen leven niet door zo'n grote profeet in de waagschaal gesteld zal worden.
e. Elia overtuigt hem dat hij in alle veiligheid deze boodschap aan Achab zal kunnen brengen, door hem onder ede te verzekeren, dat hij zich heden aan Achab vertonen zal, vers 15. Laat Obadja slechts weten dat hij ernstig spreekt en het wezenlijk bedoelt, en dan zal hij geen bezwaar maken om aan Achab de boodschap te brengen. Elia zweert bij de Heere van de heirscharen, die alle macht in Zijn handen heeft, en dus instaat is om Zijn dienstknecht tegen alle de machten van de aarde en van de hel te beschermen. f. Zo wordt dan aan Achab bericht dat Elia hem uitdaagt om hem terstond aan zulk en zo'n plaats te ontmoeten, en Achab neemt de uitdaging aan: Achab ging hem tegemoet. Wij kunnen veronderstellen dat het voor Achab een grote verrassing was te horen dat Elia, die hij zolang gezocht en niet gevonden had, nu zonder zoeken gevonden was. Hij ging uit om gras te zoeken, en vindt hem op wiens woord uit Gods mond hij regen verwachten moest. Doch zijn schuldig geweten geeft hem weinig reden om het te hopen, maar veeleer om nog meerdere verschrikkelijke oordelen te horen aankondigen. Indien hij door zijn spionnen Elia verrast en overvallen had, hij zou over hem getriomfeerd hebben, maar nu hij zelf aldus door hem verrast was, kunnen wij onderstellen dat hij sidderde om hem in het aangezicht te zien, hij haatte hem, maar hij vreesde hem, zoals Herodes Johannes gevreesd heeft.