1 Koningen 13:11-22
De man Gods had eerlijk en kloekmoedig de uitnodiging van de koning geweigerd, ofschoon hij hem een beloning had toegezegd, maar door een oude profeet liet hij zich overreden om met hem terug te gaan naar Bethel en er een middagmaal te gebruiken in weerwil van het gebod, dat hem gegeven was. Wij zien hier hoe duur dit middagmaal hem te staan is gekomen. Let met verbazing op:
I. De slechtheid van de oude profeet. Ik kan niet anders dan hem een valse profeet en een slecht man noemen, daar het veel gemakkelijker is te geloven dat aan iemand van zo'n slecht karakter een bevestiging zou ontwrongen worden van hetgeen de man Gods gezegd heeft, zoals wij bevinden in vers 32, dan dat een waar profeet en een goed man zo'n opzettelijke leugen zou spreken, en haar zou toeschrijven aan God. Een goede boom zou nooit zulke verdorven vruchten voortbrengen. Misschien was hij onder de zonen van de profeten opgevoed in een van Samuëls scholen niet ver van daar, vanwaar hij de naam behield van een profeet, maar wereldsgezind en onheilig geworden zijnde, was de geest van de profetie van hem geweken. Indien hij een goede profeet ware geweest, hij zou Jerobeams afgoderij hebben bestraft en zijn zonen niet hebben toegelaten om aan zijn altaren te komen, zoals hij gedaan scheen te hebben.
1. Of hij nu een goede bedoeling had met de man Gods terug te halen is niet zeker. Men kan hopen dat hij het deed uit medelijden met hem, denkende dat hij behoefte had aan spijs en drank, en uit begeerte om beter met hem bekend te worden en meer ten volle te weten te komen wat zijn boodschap was dan hij uit het bericht van zijn zonen begrijpen kon. Daar zijn zonen hem echter alles wat voorgevallen was hadden meegedeeld en in het bijzonder dat het de profeet verboden was daar te eten of te drinken, dat hij openlijk aan Jerobeam gezegd had, wordt verondersteld dat hij het met een slechte bedoeling gedaan heeft, om hem in een strik te lokken, want valse profeten zijn altijd de ergste vijanden geweest van ware profeten, het gewoonlijk er op toeleggende hen te verderven, maar soms, zoals hier, om hen te verleiden en hen van hun plicht af te brengen. Aldus hebben zij "de nazireërs wijn te drinken gegeven," Amos 2:12, ten einde te kunnen juichen in hun val.
2. Maar het is zeker dat hij een zeer slechte methode volgde om hem terug te brengen. Toen de man Gods hem zei: "Ik mag niet, en daarom wil ik niet met u terugkeren om brood te eten" (zijn besluit overeenkomende met het gebod Gods, vers 16, 17), heeft hij goddeloos voorgewend dat hij een bevel van de hemel had ontvangen om hem terug te halen. Hij deed zich aan hem voor in zijn vroegere hoedanigheid van profeet: ik ben ook een profeet gelijk gij. Hij gaf voor een gezicht te hebben gehad van een engel, die met deze boodschap tot hem gezonden was, maar het was alles gelogen, het was de spot drijven met profetie, en in de hoogste mate profaan. Als er van deze oude profeet gesproken wordt in 2 Koningen 23:18, dan wordt hij genoemd: "de profeet, die uit Samaria gekomen was", terwijl er toch niet dan lang daarna zodanige plaats was, Hoofdstuk 16:24, daarom houd ik het er voor dat hij daar aldus genoemd wordt, ofschoon hij van Bethel was, omdat hij was gelijk die welke naderhand "de profeten van Samaria waren, en die Gods Israël verleidden," Jeremia 23:13.
II. De zwakheid van de goede profeet in zich aldus te laten bedriegen. Hij keerde met hem weer, vers 19. Hij, die vastheid genoeg had om de uitnodiging van de koning te weigeren, die hem een beloning toezegde, kon het indringen niet weerstaan van iemand, die voorgaf een profeet te zijn. Godvruchtige mensen zijn meer in gevaar om van hun plicht afgetrokken te worden door een schoonschijnend voorgeven van Godsvrucht en heiligheid, dan door uitwendige verleidingsmiddelen, daarom is het nodig, dat wij ons hoeden voor valse profeten, en niet iedere geest geloven.
III. De handelingen van de Goddelijke gerechtigheid hierop, en hier kunnen wij ons er wèl over verwonderen dat de goddeloze profeet, die de leugen sprak en het kwaad gedaan heeft, ongestraft bleef, terwijl de heilige man Gods, die door hem tot die zonde gebracht werd, er streng en plotseling voor gestraft werd. Hoe zullen wij dit verstaan? Gods oordelen zijn ondoorgrondelijk, Zijner is de dwalende en die doet dwalen, en Hij antwoordt niet van al zijn daden. Voorzeker moet er een toekomend oordeel zijn, wanneer deze dingen weer tevoorschijn gebracht zullen worden, en zij, die in deze wereld het meest gezondigd en het minst geleden hebben, ontvangen zullen naar hun werken.
1. De boodschap, die de man Gods wordt overgeleverd, was vreemd: zijn misdaad wordt genoemd, vers 21, 22, het was, in één woord, ongehoorzaamheid aan een uitdrukkelijk gebod, er wordt vonnis over hem geveld: uw dood lichaam zal in het graf van uw vaderen niet komen, dat is: "Gij zult uw eigen huis niet meer bereiken, maar zult spoedig een lijk zien, en uw dood lichaam zal niet in het graf van uw vaderen komen, om er begraven te worden."
2. Maar nog vreemder was het dat de oude profeet zelf die boodschap moest brengen, daarvan kunnen wij geen andere reden aanduiden dan deze: dat God het aldus gewild heeft zoals Hij tot Bileam gesproken heeft door zijn ezel, en aan Saul zijn oordeel heeft doen aankondigen door de duivel in de gedaante van Samuël. Wij kunnen denken dat God hiermede bedoelde:
a. De liegende profeet op te schrikken, en hem zijn zonde bekend te maken. De boodschap moest hem te dieper treffen, nu hij zelf haar moest brengen, en zijn hart was zo sterk onder de indruk er van, dat hij riep, schreeuwde, als iemand, die in doodsbenauwdheid is, vers 21. Hij had reden te denken: indien hij moet sterven voor zijn ongehoorzaamheid, die door verrassing had gezondigd, hoeveel zwaarder straf zal hij waardig geacht worden, die een engel Gods had belasterd en een man Gods door opzettelijk bedrog had misleid. Indien dit aan het groene hout geschiedde, wat zal aan het dorre geschieden? Misschien heeft het een goede uitwerking op hem gehad. Zij, die Gods toorn prediken aan anderen, hebben wel zeer harde harten zo zij zelf niet vrezen.
b. Om de profeet, die bedrogen was, nog dieper te vernederen, en te tonen wat diegenen moeten verwachten, die luisteren naar de grote bedrieger. Zij, die aan hem als verleider toegeven, zullen door hem verschrikt worden. Hen die hij nu vleit, zal hij dan aanvallen, en die hij tot zonde verlokt, zal hij dan tot wanhoop zoeken te brengen.