1 Koningen 11:14-25
Zolang Salomo zich dicht bij God hield en bij zijn plicht, was er geen tegenstander en geen bejegening van kwaad, Hoofdstuk 5:4, niets om hem de minste stoornis of onrust te veroorzaken, maar hier hebben wij een bericht van twee tegenstanders, die tegen hem verschenen, het waren onbeduidende vijanden, die niets hadden kunnen uitrichten wat van de vermelding waardig is, indien Salomo niet eerst God tot zijn vijand had gemaakt. Welk kwaad zou Hadad of Rezon hebben kunnen doen aan zo groot en machtig een koning als Salomo was, indien hij zich niet door zijn zonde gering en zwak had gemaakt? En nu kunnen deze nietsbeduidende mannen hem dreigen en beledigen. Als God aan onze zijde is, dan behoeven wij de grootste tegenstander niet te vrezen, maar als Hij tegen ons is, dan kan Hij ons voor het minste en geringste bevreesd maken, en dan zal zelfs de sprinkhaan ons een last zijn.
Deze beide tegenstanders heeft God verwekt, vers 14, 23. Zij zelf werden gedreven door beginselen van eerzucht of van wraak, maar God heeft gebruik van hen gemaakt om Salomo te kastijden. Het zwaarste oordeel, dat bedreigd werd, werd uitgesteld, namelijk de afscheuring van het koninkrijk van hem, maar hijzelf moest toch ook, tot zijn grotere vernedering, de roede van de kastijding gevoelen. Wie ook op enigerlei wijze onze tegenstanders zijn, wij moeten de hand van God zien, die hen verwekt om dit te zijn, zoals Hij Simeï verwekt heeft om David te vloeken, over de werktuigen van onze moeilijkheden heen moeten wij zien op de werker er van, en er de twist des Heeren in horen.
De vijandschap van deze beide tegenstanders tegen Salomo en Israël had haar oorsprong in Davids tijd en in zijn verovering van hun respectieve landen, vers 15, 24. Salomo had het nut en het voordeel van zijns vaders succes zowel in de uitbreiding van zijn heerschappij, als in de vermeerdering van zijn schatten. en hij zou er nooit iets anders dan nut en voordeel van gekend hebben, indien hij zich dicht bij God had gehouden, maar nu bevindt hij het voordeel opgewogen door kwaad bevindt hij dat David zich vijanden gemaakt heeft, die als doornen in zijn zijde zijn. Zij, die al te gereed zijn om ergernis en toorn bij anderen op te wekken, moeten bedenken dat dit misschien later herdacht en met interest teruggegeven zal worden aan hun kinderen. Weinig vrienden in deze wereld hebbende, zal het onze wijsheid zijn, om ons niet meer vijanden te maken dan nodig is.
1. Hadad, een Edomiet, was een tegenstander van Salomo. Er wordt ons niet gezegd wat hij tegen hem gedaan heeft noch op wat wijze hij hem hinder of stoornis veroorzaakt heeft, doch slechts in het algemeen dat hij hem een tegenstander was, maar wel wordt ons gezegd:
a. Waarom hij wrok koesterde tegen Salomo. David had Edom veroverd, 2 Samuël 8:14. Joab had er al wat mannelijk was over de kling gejaagd, vers 15, 16, hij richtte een ontzettende slachting onder hen aan, aldus wraak doende over hun oude vijandschap tegen Israël, maar misschien wel met al te grote strengheid. Terwijl Joab de verslagenen begroef, (want hij liet van hun eigen volk niemand in leven om dit te doen, en begraven moesten zij toch worden, of zij zouden een hinder en kwelling worden voor het land, Ezechiël 39:1 werd Hadad een loot van de koninklijke familie, toen nog een klein kind, door sommigen van de knechten van de koning gered, en naar Egypte gebracht vers 17. Op weg daarheen hielden zij halt, eerst in Midian, en daarna in Paran, waar zij zich voorzagen van mannen, niet om voor hen te strijden of zich met geweld een weg te banen, maar om hen te vergezellen, opdat hun jonge meester in Egypte zou komen met een gevolg overeenkomstig zijn rang en hoedanigheid. Daar werd hij vriendelijk ontvangen en beschermd door Farao, als een in nood verkerende prins en goed verzorgd, hij wist zich zo aangenaam te maken, dat hij na verloop van tijd de zuster van de koningin huwde, vers 9 en een kind bij haar had, voor hetwelk de koningin zelf zulk een genegenheid opvatte, dat zij het onder de kinderen van de koning in Farao's huis opvoedde.
b. Wat hem instaat stelde om Salomo kwaad te doen. Na de dood van Joab en David keerde hij terug in zijn eigen land, waar hij zich vestigde en rustig scheen te houden, zolang Salomo wijs en waakzaam bleef voor het algemeen belang, maar vanwaar hij gelegenheid had vijandelijke invallen te doen in het land Israëls, toch Salomo, zijn wijsheid weggezondigd hebbende zoals Simson zijn kracht, (en op dezelfde wijze), onverschillig werd voor de publieke aangelegenheden, zelf niet meer op zijn hoede was, en de bescherming van God had verbeurd. Welke kwelling hij aan Salomo veroorzaakt heeft, wordt ons hier niet gezegd, maar wel hoe ongaarne Farao zich van hem scheidde, en hoe ernstig hij bij hem aandrong om te blijven vers 22. Wat ontbreekt u bij mij "Niets" zegt Hadad, "maar laat mij evenwel gaan, naar mijn eigen land, mijn geboortegrond." Peter Martyr vond hier aanleiding in tot de Godvruchtige overdenking: "Dat de hemel ons tehuis is, waarvoor wij een heilige genegenheid moeten onderhouden, er naar moeten verlangen, zelfs dan, als de wereld, de plaats van onze ballingschap, ons het vriendelijkst toelacht." Vraagt zij: Wat ontbreekt u, dat gij zo verlangend zijt om weg te gaan? Dan kunnen wij antwoorden: "Niets van hetgeen de wereld voor ons doen kan, evenwel, laat ons daarheen gaan, waar onze hoop en onze eer en onze schat zijn.
2. Rezon, een Syriër, was ook een tegenstander van Salomo. Toen David de Syriërs had verslagen en overwonnen, stelde hij, Rezon, zich aan het hoofd van de overgeblevenen, leefde van plundering en roof, totdat Salomo zorgeloos werd, en toen kreeg hij bezit van Damascus en regeerde daar en over het omliggende land vers 24, 25, en hij berokkende moeilijkheden aan Israël, waarschijnlijk in verbintenis met Hadad, al de dagen van Salomo, namelijk, na zijn afval, of, hij was gedurende de gehele regering van Salomo een vijand van Israël, en koelde bij alle gelegenheden zijn, toen onmachtige, woede tegen hen. Maar vóór Salomo's rebellie, voordat zijn schaduw van hem geweken was, kon hij hem generlei kwaad doen. Er wordt van hem gezegd, dat hij een afkeer had van Israël, andere vorsten beminden en bewonderden Israël en Salomo, en begeerden hun vriendschap, maar hier was nu een, die een afkeer van hen had. De grootste en beste vorsten en volken, die nog zo geëerd worden door de meesten, zullen toch nog door sommigen gehaat en verafschuwd worden.