1 Koningen 11:9-13
I. Hier is Gods toorn tegen Salomo vanwege zijn zonde. Hij deed wat kwaad was in de ogen des Heeren. Er was een tijd toen de Heere Salomo liefhad, 2 Samuël 12:24, en behagen in hem had Hoofdstuk 10:9, maar nu vertoornde zich de Here tegen Salomo, vers 9, want in zijn zonde was:
1. De laagste ondankbaarheid, hij keerde zich af van de Heere, die hem tweemaal verschenen was, eens vóór hij de tempel begon te bouwen, Hoofdstuk 3:5, en eens nadat hij hem had ingewijd, Hoofdstuk 9:2. God houdt rekening van de genaderijke bezoeken, die Hij ons doet, of wij dit nu al of niet doen, Hij weet hoe dikwijls Hij aan ons en voor ons is verschenen, en zal het tegen ons gedenken indien wij ons van Hem afwenden. Dat God aan Salomo verscheen was zo'n merkbare bevestiging van zijn geloof, dat het voor altijd zijn aanbidden van andere goden had moeten voorkomen. Het was ook zo'n onderscheidende gunst, en heeft hem zo'n grote eer aangedaan, dat hij haar nooit had moeten vergeten, in aanmerking wat God in die twee verschijningen tot hem gezegd heeft.
2. De moedwilligste ongehoorzaamheid. Het was juist wat God hem geboden had niet te doen, namelijk dat hij andere goden niet zou nawandelen, en toch is hij door die vermaning niet staande gebleven. Zij, die heerschappij hebben over de mensen, zijn maar al te geneigd om te vergeten dat God heerschappij heeft over hen, en terwijl zij van hun minderen gehoorzaamheid eisen, zelf die gehoorzaamheid te weigeren aan Hem, die de opperste is.
II. De boodschap die Hij hem hierop gezonden heeft, vers 11 Daarom zei de Heere tot Salomo (waarschijnlijk door een profeet) dat hij moet verwachten gestraft te worden voor zijn afval. En hier:
1. Is het vonnis rechtvaardig, dat, daar hij van God was afgevallen, een deel van zijn koninkrijk zal afvallen van zijn geslacht. Hij had Gods eer aan het schepsel gegeven, en daarom zal God zijn kroon aan zijn knecht geven. "Ik zal dit koninkrijk van u scheuren van u in uw nakomelingen, en zal het uw knecht geven, die heerschappij zal voeren over veel, waar gij voor gearbeid hebt". Dit was een grote vernedering voor Salomo, die zich ongetwijfeld gevleid heeft dat het erfrecht van zijn rijk koninkrijk voor altijd op zijn nageslacht zou overgaan. De zonde brengt verderf over geslachten, neemt erfrecht weg, vervreemdt bezittingen, en legt van de mensen eer en heerlijkheid in het stof.
2. De verzachting van dat vonnis is echter zeer liefderijk, om Davids wil, vers 12, 13, dat is: om de wille van de belofte, gedaan aan David, zo is alle gunst, die God aan de mens bewijst, om Christus' wil, en om ter wille van het verbond, dat met Hem gemaakt is. Het koninkrijk zal afgescheurd worden van Salomo's huis, maar:
a. Niet terstond. Salomo zal het niet beleven, dat dit gebeurt, maar van de hand van zijn zoon zal het gescheurd worden, van zijn zoon, die bij een van zijn vreemde vrouwen geboren werd, want zijn moeder was een Ammonietische, Hoofdstuk 14:31, die waarschijnlijk een bevorderaarster is geweest van afgoderij. Welke vertroosting kan iemand smaken in kinderen en een bezitting na te laten, indien hij geen zegen nalaat? Maar, indien oordelen komen, dan is het een gunst jegens ons, zo zij niet komen in onze dagen, zoals wij zien in 2 Koningen 20:19. b. Niet geheel en al, een stam, die van Juda, de sterkste en talrijkste, zal aan het huis van David verblijven, vers 13, om Jeruzalems wil, dat David gebouwd had, en ter wille van de tempel aldaar, die Salomo gebouwd had, deze zullen niet in andere handen overgaan. Salomo is niet spoedig, niet geheel en al van God afgeweken, daarom heeft God niet spoedig en niet geheel en al het koninkrijk van hem weggenomen.
Wij hebben reden te hopen dat Salomo, op de boodschap, die God hem genadig zond om zijn geweten te doen ontwaken en hem tot berouw en bekering te brengen, zich voor God verootmoedigd heeft, zijn zonde heeft beleden, om vergeving heeft gevraagd, en teruggekeerd is tot zijn plicht, dat hij toen zijn bekering bekend gemaakt heeft door zijn boek van de Prediker, waarin hij zijn dwaasheid en waanzin bitter betreurt, Hoofdstuk 7:25, 26, en anderen waarschuwt om zich voor dergelijk kwaad te hoeden, hen vermaant en aanspoort om God te vrezen en Zijn geboden te houden, uit aanmerking van het komende oordeel, waarvoor hij, evenals Felix, bevreesd was geworden. Deze boetpredikatie was een even ware aanduiding van een verbroken hart om de zonde, van een hart dat zich van de zonde had afgewend, als Davids boetpsalmen, al zijn zij ook van een anderen aard. Gods genade werkt op verschillende wijze in het hart Zijns volks. En zo is dan Salomo wel gevallen, maar niet weggeworpen. Wat God, hem betreffende, tot David gezegd heeft, werd vervuld: "Ik zal hem met een mensenroede straffen, maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken," 2 Samuël 7:14, 15. God kan wel toelaten dat degenen die Hij liefheeft in zonde vallen maar Hij zal niet toelaten dat zij er stil in blijven liggen. Salomo's afval was wel een smaad voor hemzelf en een vlek op zijn persoonlijk karakter, maar op de aard van zijn regering werd er toch geen nadelige invloed door uitgeoefend, want later werd zij als een voorbeeld gesteld van een goede regering, 2 Kronieken 11:17, waar gezegd wordt, dat zij wèl deden, zolang zij wandelden in de weg van David en Salomo. Maar hoewel wij al die redenen hebben om te hopen dat hij berouw heeft gehad en zich bekeerd heeft, en genade heeft gevonden, heeft het de Heiligen Geest toch niet goed gedacht om dit uitdrukkelijk te vermelden, maar heeft het in het onzekere gelaten, ter waarschuwing van anderen om niet te zondigen in het vertrouwen van wel weer tot bekering te komen, want het is slechts een misschien, dat God hun bekering zal geven, of, zo Hij het al doet, of Hij eraan hen en aan anderen het blijk en bewijs van zal geven. Grote zondaren kunnen tot bekering komen, en er het voordeel van hebben, terwijl hun toch de troost en de eer er van ontzegd blijft, de schuld kan weggenomen zijn, terwijl toch de smaad en de schande blijven.