22. En Obed gewon door zijn bij name niet bekende zoon: Isaï, 1) en Isaï gewon David, 2)de jongste van zijn zeven zonen (
1 Samuël 16:10).
1) Ook tussen Obed (ongeveer in 1201 v. C. geboren) en Isaï (ongeveer in 1135 geb.) is de tussenruimte te groot, dan dat men hier niet eveneens het uitvallen van een lid zou moeten aannemen..
Tien leden van het geslacht, van Perez tot op David, worden genoemd. Ook hier is 10 weer het getal van de volkomenheid..
2) Evenals van de oudste tijden de stam van Juda een bijzondere plaats onder de overige stammen van Israël innam (Genesis 49:8vv. Numeri 2:3, Richteren 1:2; 20:18), zo munt van begin af aan de familie, waartoe Isaï behoorde, boven de overige geslachten uit. In de geschiedenis van dit geslacht is opmerkelijk, dat driemaal beroemde heidinnen (Thamar, Rachab, Ruth) voorkomen en de stammoeders van de hoofdlijn worden; in hen werd dus de door de zegen van Genesis 12:3 aan Abrahams nageslacht ingeplante begeerte naar vereniging met het heidendom bevestigd op ware en echt theocratische wijze; een begeerte, die overigens dikwijls een verkeerde richting nam. Hoe door haar, zelfs in de tijden van verval als die van de richters, vroomheid op het edelste en liefelijkste wijze openbaar werd, toont de geschiedenis van Ruth en van Boaz; deze is een voorbeeld van theocratische nauwgezetheid, die een waarlijk gewijde bloem van het heidendom, die haar kelk vol verlangen naar het licht van de goddelijke openbaring in Israël uitstrekt.
Wanneer wij de drie aanhangsels aan het boek der Richteren vergelijken (Richteren 17, 19 en Ruth), dan zien wij tegenover de beide verhalen van gruwelen in Israël, een liefelijk tafereel, waar een heiden in Israël intreedt. Het is ons niet alleen een intern bewijs voor de waarheid, maar wijst ons ook op de verwerping van de Messias door Israël, op de aanneming door de heidenen van de zaligheid uit Israël, die door Israëlieten is gepredikt, en het heil dat voor Israël zijn zal, als de volheid van de heidenen zal zijn ingegaan..
De tijd zou komen, dat Bethlehem-Juda groter wonderen openbaarde, dan die in de geschiedenis van Ruth vermeld zijn, wanneer het verworpen Kind van een andere vrouw uit hetzelfde geslacht verscheen, tot Wie de Wijzen kwamen en schatten van goud en aloë en mirre aan Zijn voeten legden. Zijn naam zal eeuwig duren en alle volken zullen Hem zegenen. In de aanneming van Ruth in de Kerk van God en in de gemeente van Israël is een straal van hoop opgerezen voor de heidenwereld. In dat nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend zijn.).
Deze allen zijn door Mattheüs in het Woord in de genealogie van Christus aangebracht, opdat wij zouden weten, dat deze historie niet slechts op David, maar ook op Jezus Christus betrekking heeft, die door allen wordt aangekondigd als Redder en Behouder van het menselijk geslacht, en opdat wij zouden verstaan, hoe in zijn verwonderlijke goedertierenheid de Heere de verworpenen en verachten opheft tot de hoogste eer.
SLOTWOORD
Op het boek der Richteren en het boek Ruth.
Met betrekking tot de tijd van de geschiedenis, ons in het boek van Ruth meegedeeld, kan het gevoegelijk als een derde aanhangsel van het boek der Richteren beschouwd worden, waarvan de vijf laatste hoofdstukken reeds twee van zulke aanhangsels bevatten (Jud 21:24). Wat het doel betreft is het als een aanvulling te beschouwen, of zo men wil als een inleiding op de boeken van Samuël. Het laat ons toch een blik werpen in de geest en in het karakter van de voorvaderen van die familie, waaruit David, Israëls vroomste en grootste koning, afstamde, die tevens de belofte had, dat uit zijn zaad de Messias, naar het vlees, geboren zou worden. Het is dus zeer terecht in onze Bijbel tussen de Richteren en Samuël geplaatst, hoewel deze niet de oorspronkelijke plaats is. De Hebreeuwse Bijbel voegt het bij de Chetubim of Hagiographa (Deuteronomium 18:22). Dat het oorspronkelijk met het boek der Richteren een geheel zou uitgemaakt hebben, is een mening van Josefus, die zeer willekeurig met de boeken van de Heilige Schrift gehandeld heeft (hij rekent in het geheel 22), en die geen voldoende grond heeft. Integendeel geeft de plaatsing onder de Hagiographa ons een vingerwijzing omtrent de vervaardiger van het boek; het behoort noch tot de Richteren, noch tot de beide boeken van Samuël, en heeft tot zijn schrijver geen met name genoemde profeet, die de roeping had in de beschrijving van de geschiedenis van de theocratie in te grijpen, maar een door de Geest tot schrijven opgewekte man, voor wie de Geest des Heeren wakende ter zijde stond. Wie deze geweest is, is niet met enige zekerheid te bepalen; waarschijnlijk een, die met David en de familie-overlevering van zijn huis in betrekking stond, en wel in de laatste jaren van zijn regering geleefd heeft, toen deze koning reeds zijn hoge theocratische betekenis voor Israël verkregen en de Goddelijke toezegging ontvangen had, dat zijn huis eeuwig zou bestaan (2 Samuël 7). Ruth, de Moabitische overgrootmoeder van David, verlangt met haar gehele ziel naar Israëls God en volk en sluit zich bij deze met al de kracht van de liefde aan. Boaz is een waar Israëliet, zonder bedrog, vol heilige eerbied voor elke goddelijke en menselijke inzetting, vol welwillende liefde en vriendschap voor de arme heidense vrouw; van zulke voorvaders stamde Hij af, in wie al de heerlijkheid van Israël verenigd zou zijn en het zijn koninklijk, volmaakt toppunt bereiken zou.
Opmerkelijk is het dat, terwijl het boek van Ruth aanwijst, uit wat een echt vroom Israëlitisch geslacht de hoofdkoning van Israël afstamt, de laatste hoofdstukken van het boek der Richteren aanwijzen, hoe noodzakelijk een koning voor het volk van Israël reeds geworden was. Dit is een sprekend getuigenis, hoezeer de Geest van God bij het ontstaan van de Heilige Schriften die mannen geleid heeft, door wie zij geschreven zijn, en hen ondanks hun verschillende roeping en gaven, tot eee grote eenheid heeft aaneengesloten; het is echter ook een onmiskenbaar teken, aan welke man wij deze vijf laatste hoofdstukken van het boek der Richteren te danken hebben en in welke tijd van zijn leven hij die geschreven heeft. Wij zullen later (1 Samuël 6:8vv.) zien, hoe zwaar het eerst voor Samuël was, zich naar de wil van het volk te schikken en een koning aan te stellen; Gods bevel en een daarmee verbonden toezegging kon pas zijn tegenstreven overwinnen en hem bewegen aan Israëls verlangen te voldoen. Zo zou het kunnen schijnen dat Samuël zeker degene niet was, die deze hoofdstukken geschreven heeft, omdat hij in tegenspraak met zichzelf gekomen zou zijn, wanneer hij het koningschap als een weldaad geprezen had, dat hij vroeger zo beslist had bestreden als de ondergang van de door God toegekende vrijheid, omdat het geen volk van onderdanigen, aan menselijke koningen, maar een priesterlijk koninkrijk onder de regering van de Heere van alle heren zijn moest. Maar juist de meegedeelde omstandigheid is een bewijs, dat wat de Talmoed zegt: "Samuël is de vervaardiger van het boek der Richteren," op waarheid berust. Hij, een aanvang van het eigenlijke profetische ambt in Israël, wiens levensbeeld door geen eigenbelang, geen zondige zwakheid besmet is, dat ons veeleer kinderlijke gehoorzaamheid aan het Woord van de Heere en onvoorwaardelijke overgave van het gehele onverdeelde hart aan Diens Geest laat zien deze had, toen hij zijn ambt als richter nederlegde en tegenover de nieuwe koning in het ambteloos leven terugtrad (1 Samuël 12), het volk getroost, toen het bevreesd werd over de eis van een koning. Hij had hun verzekerd: "Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; maar wijkt niet van achter de Heere af, maar dient de Heere met uw gehele hart. De Heere zal Zijn volk niet verlaten omwille van Zijn grote Naam. Het zij verre van mij, dat ik tegen de Heere zou zondigen, dat ik zou aflaten voor u te bidden, maar ik zal u de goede en rechte weg leren." De grijze man kende het volk, en wist, hoezeer zij aan het gevaar blootgesteld zouden zijn, om in de vorige afgoderij weer weg te zinken, wanneer God hen niet op een nieuwe weg leidde. Hoe zal hij zich verheugd hebben, toen hij de zegen van de koninklijke regering zich zag ontwikkelen, toen Saul niet alleen dapper tegen Israëls vijanden streed en het redde van de hand van allen, die het beroofden (1 Samuël 14:47vv.) maar ook het aanzien van de goddelijke Wet overal in het land probeerde te herstellen en de waarzeggers en duivelskunstenaars uitroeide (1 Samuël 28:9). Was hij evenwel toen reeds zeker, dat het rijk van Saul niet zou bestaan, zo wist toch Samuël dat de Heere een man naar Zijn hart zocht, die Hij zou gebieden, vorst over Zijn volk te zijn (1 Samuël 13:14). De tegenwoordige zegeningen van de koninklijke regering waren dus slechts een handgeld, een onderpand van een toekomstige en grotere. Van daar zijn die woorden: "In die dagen was er geen koning in Israël, een ieder deed wat recht was in zijn ogen." Zij zijn neergeschreven als een bewijs, dat dezelfde man, die Israël van de oude in de nieuwe toestand verplaatst had, ook tevreden met de nieuwe tijd geworden was, vergeleken bij het verleden, en aan de Heere de eer wilde geven, dat de Heere, zoals hij beloofd had (1 Samuël 12:20vv.), Zijn volk en Zijn werk niet verlaten kon..
Zijn wij overtuigd, dat de vijf laatste hoofdstukken Samuël als schrijver hebben, zo spreekt het vanzelf, dat ook het eerste gedeelte van het boek (1-16) hem toegeschreven wordt. Wie anders was in staat geweest, de geschiedenis van het Godsrijk te beschrijven van de dagen van Jozua tot aan de dagen van die man, met wiens profetische werkzaamheid de gehele periode van de richters eindigen zou? Wie zou in staat zijn geweest dit te doen op die wijze, die geheel met de geest van de Heilige Schrift overeenstemt? Wie anders kon de gedachten over Zijn Godsvolk zo verstaan? Er zijn ook in dit boek kentekenen genoeg, dat Samuël zijn vervaardiger moet zijn. Het vertelt de geschiedenis van de periode van de richters tot aan het einde, tot aan Simsons dood, en kan dus niet vóór hem geschreven zijn; na hem kan het evenmin, om de volgende door Starke genoemde redenen vervaardigd zijn, 1e. hadden toen de Jebusieten nog de burg Sion te Jeruzalem in bezit (1:21), waaruit David hen dadelijk bij het begin van Zijn regering verdreef (2 Samuël 5:6vv.); 2e. worden in de boeken van Samuël (1 Samuël 12:9; 2 Samuël 11:21) verscheidene geschiedenissen uit het boek der Richteren aangehaald, dus moet het eerder geschreven zijn; 3e. komen in de Psalmen van David (Psalm 68:8; 97:5; 92:10) nu en dan spreekwijzen voor, die aan dit boek (Richteren 6:4vv.; 5:31) ontleend zijn. Wij hebben bij dit derde punt nog te noemen Psalm 110:6 vergeleken met Richteren 15:15vv.. Wij voegen hier nog bij de woorden van Hävernick: "Het is opmerkelijk, dat het werk met de geschiedenis van Simson afbreekt; daarmee staat het van een behoorlijke inleiding voorziene begin van het boek in strijd. Zeer moeilijk is het te verklaren, waarom hier niet de beide richters van het eerste boek van Samuël, Eli en Samuël, mede vermeld werden, wanneer niet de geschiedenis van deze mannen nog in vers aandenken, of zelfs de geschiedenis van de tegenwoordige tijd ware. In dat geval kon men alleen ten doel hebben de oudere gedenkwaardige voorvallen aan de vergetelheid te ontrukken.".
Wij nemen dit slotwoord van Dächsel over, omdat wij er volkomen mee instemmen. Wij voegen er alleen nog dit bij, dat indien Samuël zelf de schrijver niet is, dan moet het noodzakelijk een van zijn leerlingen uit de profetenscholen zijn geweest, die onder de leiding van de Geest en door hem daartoe aangespoord zich tot de beschrijving van dit tijdvak uit Israëls geschiedenis gezet heeft..